In het academisch paradijs (7): Sturing en coördinatie
-
Foto: Klaas Landsman
Hoogleraar mathematische fysica Klaas Landsman werkt een halfjaar aan de universiteit van Okinawa. Zevende aflevering van een korte serie: 'Intussen werk ik aan een boek dat alle andere boeken overbodig moet maken.'
De lezer heeft helaas een week langer op deze column moeten wachten, omdat de auteur niet alleen de halve dag naar de Zuid-Chinese zee staart en daarbij het leven en de kosmos overdenkt, maar ook omdat zijn serie van tien colleges van 2 uur over entropie maar liefst zestig deelnemers trekt. Deelnemers die zelfs bij het derde college afgelopen vrijdag nog vrijwel allemaal aanwezig waren en na ieder college applaudisseren (kom daar nog maar eens om in Nederland!). Dit is natuurlijk een reden om hier de andere helft van de dag aan te besteden.
Een vergelijkbare serie mastercolleges in Nijmegen trok vorig jaar slechts drie studenten, zij het zeer goede. Hier loopt het publiek uiteen van stagiaires (masterstudenten op zoek naar een promotieplaats), onder wie een zoon van een bekend Hollywood-acteur die niettemin alles van continentale filosofie en zwarte gaten weet, tot het hoofd van de afdeling theoretische fysica in Los Alamos, een levende legende die hier nu een paar maanden rondloopt. Deze groep kan slechts met zorgvuldig laveren tussen wiskunde en natuurkunde (en af en toe een flauwe grap of anekdote) tevreden worden gesteld. Bovendien werk ik intussen aan een boek over dit onderwerp dat alle andere boeken (behalve de Bijbel en het telefoonboek) overbodig moet maken.
Van de ruim 90 research units hier zijn er een stuk of tien vertegenwoordigd, verspreid over natuurkunde, wiskunde, en zelfs biologie (inderdaad is entropie een van de sleutels tot het leven). Gek genoeg is dit een van de weinige gelegenheden waar iets van interactie tussen deze units plaatsvindt.
De organisatie van het Okinawa Institute of Science and Technology (OIST) is aan de ene kant plat, aangezien de units gegeven hun budget autonoom zijn, zoals als de onderzoeksgroepen aan de Max Planck Instituten in Duitsland. Ze hoeven niet naar afdelingshoofden, directeuren of decanen te luisteren, want die zijn er niet.
Ook hoeven de leiders van de units niet zelf geld voor promovendi en postdocs aan te vragen, want die krijgen ze structureel cadeau. Aan de andere kant is OIST net zo hiërarchisch als een Japans bedrijf, waar de top de gang van zaken bepaalt en de werkvloer vrijwel niets te zeggen heeft – iets waarover men dan ook veelvuldig klaagt.
Er is weinig inzicht in de besluiten die worden genomen over wie wordt aangenomen, wie mag blijven, wie moet vertrekken, en welke units er af en toe bijkomen of worden opgeheven. Een vreemd gevolg hiervan blijkt te zijn dat units in het geheel niet samenwerken, zelfs niet als de thema’s zeer nauw verwant zijn (hetgeen veelvuldig het geval is). Misschien zou enige sturing en coördinatie toch wel nuttig zijn.