‘Leven en dood zijn zelden zwart-wit’

15 mrt 2019

Is fictie schrijven anders dan journalistiek? Vox-hoofdredacteur Annemarie Haverkamp beproefde het. Deze week verschijnt haar romandebuut, De achtste dag. ‘In het begin checkte ik alles kapot.’

De roman begint onheilspellend. Een man, Egbert, is in de weer kabels onder aan een oude huislift te bevestigen. Hij is vastbesloten de lift te gebruiken voor een enkeltje dood met zijn gehandicapte zoon. Maar dan valt de stroom uit.

In een oerversie van de roman, een kort verhaal dat ze jaren geleden als eerste vingeroefening in fictieschrijven schreef, liep het anders af, vertelt Annemarie Haverkamp. ‘Ze gingen gewoon. Mijn laatste zin was zoiets als: “Precies 39 seconden zal de reis duren.”’

Puzzel

Het korte verhaal moest het begin worden van een bundel. Maar er kwamen niet zoveel nieuwe ideeën. ‘Ik bleef de hele tijd rond dit ene verhaal cirkelen. Toen ben ik daar op door gaan denken: wie is die man dan en wat is er met dat kind? Kennelijk is het zijn wens om te overlijden, maar wat nou als hij niet overlijdt? Het is een puzzel die je voor jezelf bedenkt en waar je steeds nieuwe stukjes van gaat oplossen.’

‘Ik hoop dat mijn roman de lezers aan het denken zet’

Haverkamp heeft al enkele boeken op haar naam staan – vier bundels met de Gelderlander-columns over haar gehandicapte zoon en het non-fictieboek Dolgelukkig zijn wij – maar fictie, een verhaal van a tot z verzinnen, was haar ultieme kinderdroom.

Hoe beviel deze manier van schrijven?

‘In het begin vond ik het echt ontzettend moeilijk. De journalist in mij remde me af. Bij alles wat ik bedacht, was de tweede gedachte: kan dat wel? Echt vreselijk vermoeiend. Ik checkte alles kapot en heb me suf gegoogeld of iets wel zou kunnen en klopte en logisch was. Nou, dan schiet je boek niet op. Op een gegeven moment ben ik maar gewoon gaan tikken. Ik moest af van die ellendige journalist die steeds over mijn schouder zat mee te kijken.’

Heb je veel herschreven?

‘Ja, ontzettend veel. In het begin werkte ik nog met een literair agent en die zei de hele tijd dat ik vooraf een opzet moest maken, een schema van wat wanneer gebeurt. Dat is me niet gelukt. Weet ik veel wat er op dag zes gebeurt! Mijn verhaal en hoofdpersoon zijn al schrijvend ontstaan. En veel dingen zijn ook weer verdwenen, Emma, de moeder had eerst een veel grotere rol. Haar perspectief zat ook in het boek, ik was eigenlijk Emma. Dus het was even slikken toen mijn redacteur zei dat zij er beter uit kon. Maar hij heeft gelijk gehad. Zo is het beter. Dat heb ik ook ontdekt, dat literatuur de kunst van het weglaten is.’

Annemarie Haverkamp bij haar schrijfplek. Foto: Bert Beelen

Heb je je boek in volgorde geschreven, dus van pagina 1 tot en met 160?

‘Nee. Soms kwam ik niet verder met een hoofdstuk of had ik geen zin in een bepaald stuk, dan begon ik gewoon ergens anders. Je moet je hoofdpersoon ook eerst leren kennen, je snapt soms nog niet helemaal hoe hij in elkaar steekt. Dan liet ik Egbert eerst iets anders doen. Door iets wat ik in zeg hoofdstuk 5 had geschreven begreep ik beter wat ik hem in hoofdstuk 2 moest laten doen. Beetje kleien en die man proberen te lezen door zijn daden. Grappig, want ik heb hem natuurlijk zelf bedacht. Ja, die Egbert, ergens mis ik hem wel. Lange tijd heb ik twee levens geleefd, mijn eigen en dat van mijn hoofdpersoon. Nu moet ik me weer focussen op mijn eigen bestaan en zelf weer dealen met dilemma’s.’

Je roman gaat over vergelijkbare morele dilemma’s als je non-fictieboek. Was dat je opzet?

‘Nee, maar het thema drong zich toch weer op. Ik was ook niet per se van plan een roman te schrijven over een gehandicapt kind, maar ik kon er gewoon niet omheen. Ik heb ook nog wel gedacht: hij moet eruit, maar het paste goed.’

Heeft het schrijven van dit boek je nieuwe antwoorden gegeven?

‘Nee, het heeft de vragen alleen maar versterkt: Wat is kwaliteit van leven? Wanneer heb je een goed leven? Hoe erg is het als je niet meer zou leven? Of als je kind niet meer zou leven? Het verhaal is één groot dilemma en daar zijn geen oplossingen voor.’

‘Zaken over leven en dood zijn zelden zwart-wit. Stiekem hoop ik dat mijn roman lezers aan het denken zet. Stel jezelf de vraag maar: wat zou jij doen met je kind als je Egbert was en wist dat je binnenkort zou sterven?’

Is dat jouw zorg ook: wat moet er met onze zoon gebeuren als wij er niet meer zijn?

‘Natuurlijk, dat is je grootste zorgpunt. Het is een donkere wolk die al vanaf de dag van de geboorte boven ons hangt: wat als wij er niet meer zijn? Omdat het antwoord zich zo moeilijk laat geven. Er is niemand die zegt: o geef hem maar aan mij, daar zorg ik wel voor. Wie kun je ermee belasten? En angst twee is: stel dat hij eerder gaat dan wij.’

Hoe cru ook, angst twee kan de oplossing voor je eerste zorg zijn.

‘Ja, dat is de beste oplossing. Maar tegelijkertijd hoop je dat natuurlijk helemaal niet. Je wilt je kind niet verliezen. Vanuit die dubbele angst is dit boek zeker ontstaan. Ik heb voor dit boek heel veel informatie verzameld over familiedrama’s met gehandicapte kinderen. Het is heel gruwelijk, maar tegelijkertijd denk ik: welk verhaal zou daarachter zitten?’

‘In mijn boek noem ik Robert Latimer, een Canadees die zijn gehandicapte dochter doodde en tot op de dag van vandaag, ook nu hij zijn straf heeft uitgezeten, geen berouw toont en achter zijn daad blijft staan. Dat is voor de buitenwereld moeilijk te verkroppen. Maar ik denk dat het heel moeilijk is om er als buitenstaander, en dat ben ik net zo goed als jij, iets over te oordelen. Wie bepaalt wat kwaliteit van leven is en wat lijden is? Dat zijn onoplosbare dilemma’s.’

In je boek beschrijf je uitgebreid en met liefde hoe Egbert een trap bouwt. Is deze roman ook een ode aan je vader, die timmerman is, en aan je zoon?

‘Zeker aan mijn vader, een ode aan zijn vakmanschap. Dat iemand helemaal in zijn hoofd weet hoe hij een trap moet bouwen, van boom tot trede, daar heb ik echt diep, diep respect voor. En mijn zoon, ja, het is een ode aan iedereen die lief is en niet oordeelt en niet vol zit met ideeën over hoe het allemaal zou moeten.’

De officiële boekpresentatie van De achtste dag (Lebowski Publishers) is op donderdag 21 maart om 19.00 uur bij Dekker van de Vegt. Annemarie wordt geïnterviewd door Radboudalumnus en schrijver Thomas Verbogt. Luister hier (onder ‘audio’) naar een podcast over de roman.

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een dagelijkse of wekelijkse nieuwsbrief met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands