Liften is zes minuten wachten op geluk

11 sep 2017

Elke week een dag liftend naar het werk en weer terug. Wat doet dat met je? Heel veel, blijkt uit het boek van Marjan Knippenberg, medewerker van het Radboudumc.

De chauffeur die haar meenam was een Marokkaanse jongeman. Of hij weleens had gelift, wilde ze van hem weten. ‘Denk je dat ze me hier in Nederland zouden meenemen als ik als Marokkaan langs de kant van de weg sta?’, had hij geantwoord. Die kwam binnen. Het was de eerste keer na lange tijd dat Marjan Knippenberg (39) uit Nijmegen weer eens was gaan reizen met de duim omhoog en het was direct een bijzondere ervaring. ‘Die chauffeur liet mij dingen zien en ervaren door zijn ogen. Zo vertelde hij ook dat hij een tijdje zonder rijbewijs had gereden. Hij had nog nooit zo veilig gereden, bang dat hij was om betrapt te worden.’

Nog nagenietend van de bijzondere ontmoeting (‘hoe vaak praat ik nou met een Marokkaanse jongen?’) vroeg ze zich thuis af waarom we in ons drukke Nederland niet veel meer liften. Ze nam een opmerkelijk besluit: ze zou elke woensdag gaan liften naar en van het Radboudumc, waar ze werkt als wetenschappelijk onderzoeker. De andere dagen fietste ze de 6 kilometer tussen ziekenhuis en haar huis in de Weezenhof.

Intiem

Dat was in 2013. De eerste lift heen kreeg ze van een student die naar de Radboud Universiteit ging; terug werd ze meegenomen door een garagehouder. Vanaf het begin was het genieten. ‘Je komt eventjes in contact met wildvreemde mensen. Mensen vaak uit werelden en lagen waar je in je dagelijks leven niet mee in aanraking komt. En mensen die je de intiemste zaken vertellen omdat ze er vanuit gaan dat ze je nooit weer zien. Bijvoorbeeld een vrouw die naar het ziekenhuis ging voor een ivf-behandeling en een man die mij als een van de eersten het geslacht van zijn baby’tje vertelde.’

Als Knippenberg over haar liftavonturen vertelt, willen mensen altijd twee dingen weten: ben je nooit lastiggevallen en heb je weleens de bus gepakt omdat niemand je meenam. Het antwoord luidt twee keer ‘nee’. ‘Een keer stopte er iemand die aan mij twijfelde en daarna doorreed. Maar 99 procent van de liftgevers is ontzettend aardig. Ze willen graag helpen. Het enige wat je hoeft te doen is vragen. Liften doe je vanuit vertrouwen in de ander, niet vanuit angst.’

Van de meeste ritten hield ze de wachttijd bij. Een keer stond ze 24 minuten langs de straat. ‘Dat was echt een uitzondering. Wachten voelt al snel als lang, maar de gemiddelde wachttijd was 6 minuten.’

Verzameling

Na 166 liftbeurten heeft ze er vorig jaar een punt achter gezet. ‘Het is voor mij een project, dat ik afrond met een boek. Als ik door blijf liften dan komt dat boek nooit af, dan denk ik na weer een leuke ontmoeting: die moet er ook nog in.’

Het boek, dat is een verzameling van de 100 mooiste ontmoetingen die ze heeft gehad, zoals ze die eerder heeft beschreven in een blog op internet. Aangevuld met interviews met tien mensen die haar een lift hebben gegeven.

‘Ik ben relaxter geworden door het liften’

Zes minuten wachten op geluk is een lief en positief boek, zegt Knippenberg.

‘In wezen gaat het erover dat je je moet openstellen voor anderen en niet moet veroordelen. En over controle loslaten en vertrouwen hebben in een goede afloop. Ik ben relaxter geworden door het liften. Als ik nu in een moeilijke situatie zit dan denk ik al snel dat het wel goed komt op een bepaalde manier.’

Ze mist ze wel, de onverwachte ontmoetingen met een vrachtwagenchauffeur die kanariepietjes houdt of de man met het uiterlijk van een salesmanager die wiskundeleraar blijkt te zijn. Haar liftbordje heeft ze nog altijd in haar tas zitten.

Je weet maar nooit.

Dit verhaal van Niek Opten verscheen vandaag in De Gelderlander.

[kader-xl]

BLOG 1: Dan ben je te laat, woensdag 7 mei (door Marjan Knippenberg)

Een Turkse man van in de vijftig neemt me mee. Hij heeft gemillimeterd, grijs haar en vriendelijke ogen. Aan zijn spiegel hangt een rugbyballetje. Hij spreekt niet heel erg vloeiend Nederlands, maar is goed verstaanbaar. Na een paar minuten zet hij de radio eindelijk zachter. Dat praat wat makkelijker. Hij maakt wat zenuwachtige bewegingen met zijn handen op het stuur. Hij verplaatst ze iedere keer een stukje. Hij rijdt een beetje hetzelfde: vrij schokkerig met optrekken en stil gaan staan.

 

Vanzelfsprekendheid
Het begint me op te vallen dat het voor veel mensen die oorspronkelijk uit landen als Marokko, Turkije, Sudan of Jemen komen, de normaalste zaak van de wereld is om me mee te nemen. Er wordt amper een woord vuil gemaakt aan het feit dat ik lift. Mooi vind ik dat. Die vanzelfsprekendheid.

 

Alleen
Dan vertelt hij dat hij zijn Nederlandse vrouw heeft verloren, 12 jaar geleden. Ze hadden toen twee kinderen; een dochtertje van vier en een zoontje van één jaar. Zij was pas 32 jaar en had baarmoederhalskanker. Vrij laat ontdekt, maar ondanks dat genoeg bestralingen en ziekenhuisbezoeken gehad. Zelfs een 24 uur durende inwendige bestraling. Ik weet niet zo goed wat ik me daarbij moet voorstellen, maar hij maakt er gebaren bij die duidelijk maken dat het een hel was. Maar het mocht niet baten en toen bleef hij dus alleen achter met twee kleine kinderen.

 

Schoonouders
‘Hoe heb je het gered, daarna?’ vraag ik. ‘Ja, moeilijk, moeilijk. Waarom denk je dat ik zo grijs ben?’ zegt hij lachend. Hij was er helemaal kapot van. Zijn ouders woonden in Turkije. Maar zijn Nederlandse schoonouders sprongen gelukkig bij. Zijn schoonvader is, toen het gebeurde, vervroegd met pensioen gegaan om samen met schoonmoeder voor zijn kinderen te kunnen zorgen. Zodat hij kon blijven werken. ‘Je moet blijven werken, anders lukt het straks niet meer om een baan te vinden. Dan ben je te laat.’, had zijn schoonvader gezegd.

 

Blik vol herinneringen
‘Mijn schoonvader was een hele, hele lieve man’, zegt hij terwijl hij me eventjes direct aankijkt. En zijn grote ogen worden werkelijk zacht bij het uitspreken van die woorden. ‘Ik noemde hem dan ook niet bij zijn voornaam’, zijn starende blik stroomt vol met herinneringen aan vroeger, ‘maar ik noemde hem ‘papa’, want dat was hij voor mij’.

 

BLOG 2: Poes, woensdag 3 september

‘Een bekend gezicht!’, zeg ik terwijl ik het achterportier openmaak. Op de bijrijdersstoel kan ik niet plaatsnemen, want daar zit een klein meisje van een jaar of drie. Ik ken ze van gezicht van het kinderdagverblijf waar mijn zoontje naar toe gaat. Volgens mij zitten ze ook nog op dezelfde groep. Mijn vermoeden wordt bevestigd als het meisje zegt: ‘Hé mama, dat is de moeder van Siem!’

Sprankel

Het is zo’n prachtig kind. Met een pure sprankel in de oogjes. En schattige, donkerbruine krulletjes die naast haar gezichtje op en neer dansen als ze haar hoofdje beweegt. Zo’n snoetje waar je naar moet blijven kijken. Ze praat goed voor haar leeftijd. En veel. Over oma. En wat ze daar allemaal voor lekkers heeft gekregen vanmiddag.

Poes

Ik moet raden hoe hun poes heet. Maar voor ik ook maar iets kan opperen verklapt ze het al: ‘Mika.’ Het doet me denken aan hoe mijn kinderen thuis altijd verstoppertje spelen. Eerst doe je natuurlijk alsof je geen flauw idee hebt waar ze toch in hemelsnaam zouden kunnen zitten, terwijl ze duidelijk zichtbaar onder de salontafel liggen. Maar lang hoef je nooit te wachten want binnen een seconde of tien kruipen ze zelf al tevoorschijn onder het luid geroep van ‘Boe!’. Waarom langer wachten dan nodig is? Het meisje voegt er nog aan toe: ‘Ik heb de naam zelf bedacht’. Ik antwoord: ‘Dat heb je goed bedacht’.

Andere poes

Dan vraagt ze haar moeder hoe die andere poes ook alweer heet. ‘Welke? Die van de buren?’ vraagt moeder. ‘Euhm, euhm….’ denkt ze hardop na. ‘Bedoel je die twee poesjes van de buren?’ vraagt moeder nogmaals. Maar die bedoelt ze duidelijk niet. Je ziet moeder peinzen welke poes ze dan toch zou kunnen bedoelen. In haar hoofd gaat ze vast alle poezen van familie en vrienden af; welke het nou toch zou kunnen zijn. Maar dan weet de kleine meid het zelf weer en zegt met een lichte irritatie in haar stem ‘Nee-ee mam, ik bedoel Dikkie Dik!’

[/kader-xl]

1 reactie

  1. Rupke (oren groter dan het kupke) schreef op 11 september 2018 om 13:21

    ‘Denk je dat ze me hier in Nederland zouden meenemen als ik als Marokkaan langs de kant van de weg sta?’
    Vroeg de beste jongeman zich ook af hoe dat komt? Het is helaas vaak zo dat de goeden het met de kwaden moeten vergelden. Zo werkt de bovenkamer van de mens nu eenmaal.
    Vooroordeel? Ja. Etnisch profileren? Ja, maar dat heeft soms een reden door ervaringen uit het verleden.

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een dagelijkse of wekelijkse nieuwsbrief met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands