Moet ik als opleider van toekomstige wetenschappers mee in de ontwikkeling van AI?
-
Kim Fairley. Foto: Dick van Aalst
Wat moet je als begeleider van promovendi en studenten aan met AI? Die vraag stelde columniste Kim Fairley zichzelf nadat ze een met AI geschreven tekst voor haar neus had. ‘Ik weiger een zuurpruim te worden die elke technologische vooruitgang afkraakt.’
Verwonderd lees ik de zin opnieuw. Instinctief pak ik het uitgeprinte, met marker bekladde, document en loop naar het kantoor tegenover mij. Twee van de vier promovendi die dit kantoor delen, zijn aanwezig en kijken me aan. Ik begin de zinnen te oreren en vraag mijn promovendus – natuurlijk is hij niet van mij, maar ‘mijn’ bekt lekkerder dan ‘de promovendus die ik begeleid met zijn onderzoek’ – of hij deze tekst zelf heeft geschreven.
Mijn vermoeden klopt. Het blijkt niet zo te zijn. Ik krijg gratis advies toe: AI-model Claude is echt de allerbeste.
De afgelopen maanden zie ik AI-geproduceerde teksten zienderogen beter worden. Niet bij elke student overigens. Als je niet goed weet wát je wil onderzoeken, als je zelf de structuur van je tekst niet helder hebt, zal AI een stilistisch vormgegeven tekst produceren die inhoudelijk alle kanten op gaat behalve de juiste. Als docent pik ik daar feilloos doorheen en kan ik het kaf van het koren scheiden.
Mijn promovendus weet precies wat hij wil. Hij is al maanden bezig zijn onderzoeksvraag om te zetten in een experiment. Ik zie hem vooral AI strategisch inzetten: een literatuuroverzicht schrijven dat studies samenvat die hijzelf zorgvuldig heeft verzameld en gelezen en – de echte deal-breaker – het programmeren van zijn experiment. Met verbazing vertelde hij me onlangs dat in één dag zijn experiment was omgezet in een speelbaar format dat online draait. Zijn kamergenoot was daar twee jaar geleden nog maanden zoet mee.
‘Frusteren promovendi zich nog wel genoeg, of haalt AI juist de scherpe randjes eraf’
Zelf was ik ook maanden bezig om te leren programmeren tijdens mijn eigen promotietraject. Dat was hard zwoegen en een proces van vele frustraties.
En precies daar zit mijn ongemak en twijfel met AI: frustreren promovendi zich nog wel genoeg, of haalt AI juist de scherpe randjes eraf in een onderzoekswereld waar overwerkt zijn de norm is en een promotietraject vaak overschaduwd wordt door mentale gezondheidsproblemen?
Zelfs de editors van Nature speculeren hardop wat AI gaat betekenen voor het opleiden van toekomstige wetenschappers. De einduitkomst: we hebben geen idee.
Eén ding weet ik wel zeker. Als begeleider moet ik mee in deze ontwikkeling. Ik weiger een zuurpruim te worden die elke technologische vooruitgang afkraakt. Al was ik ook zuur geweest als mijn promotietraject zich had gekenmerkt door het handmatig berekenen van statistische toetsen en het uitwerken daarvan op typemachines, terwijl de volgende generatie een computer tot hun beschikking had.
Toch proef ik het sentiment dat eerder technologische vooruitgangen in het niets staan bij AI. Is dat werkelijk zo, of is er juist een constante: ons ongemak met onzekerheid?
Lees alle columns van Kim Fairley