Waarom de ontgroening niet moet verdwijnen

26-12-2016, 17:09

Foto's uit het privéarchief van Jan-Willem Bertens

In 2016 stonden ontgroeningen bij studentenverenigingen meer dan ooit onder druk. Er was veel aandacht voor de uitwassen en de excessen, terwijl de positieve aspecten van de groentijd ondergesneeuwd raakten. Daarom nu, op de valreep, een ode aan de ontgroening met drie verschillende generaties oud-leden.

Ontgroeningen binnen studentenverenigingen zijn wel vaker onderwerp van discussie geweest, maar zelden was de storm van kritiek zo fors als afgelopen zomer. Het begon in Groningen, waar een aspirant-lid hersenletsel opliep na een mishandeling door een ouderejaars. De universiteit deed het aanvankelijk af als een intern incident, het slachtoffer wilde geen aangifte doen. Kort daarop lekte een ‘bangalijst’ uit, waarop Groningse dispuutleden de bedprestaties van hun vrouwelijke medestudenten beoordeelden, inclusief foto’s en telefoonnummers. Intussen berichtte het AD over ‘Guantanamo Bay-achtige praktijken’ bij Veritas in Utrecht en schreef Het Parool over drie ziekenhuisbezoeken na de Amsterdamse ontgroeningen. Ook de politiek dook erop. Minister Bussemaker riep op om de excessen uit te bannen. In Groningen is de ontgroening voortaan zelfs verboden.

Nijmegen ontsprong de dans. Geen berichten over vervelende incidenten, geen stukken in de krant, geen boze universiteitsbestuurders. ‘Onze eigen introductie verloopt al jaren zonder problemen’, zegt Maarten van Halteren. Hij is praeses van Carolus Magnus, de vereniging met verreweg de langste ontgroeningstraditie.

‘Vroeger was contributie van de vereniging inbegrepen bij het collegegeld’

Tien jaar geleden stelde de universiteit, samen met Carolus Magnus en Ovum Novum, een gedragscode op voor de ontgroening – en die geldt nog steeds. In die code staan de (vertrouwelijke) begin- en eindtijd van de verenigingsintroducties, een bepaling dat introdeelnemers nooit onder dwang alcohol mogen drinken en de afspraak dat studenten te allen tijde naar colleges kunnen en de gelegenheid krijgen om die goed voor te bereiden. ‘De studentenverenigingen van Nijmegen en de rector hebben van oudsher goed contact met elkaar’, zegt Martijn Gerritsen, woordvoerder van de Radboud Universiteit. ‘Tegelijkertijd stralen de activiteiten van de studentenverenigingen ook af op de universiteit, zowel in negatieve als in positieve zin.’ Vandaar de vinger aan de pols.

Ontgroening Bertens 3

Iedereen lid
De ontgroening (ook wel groentijd of eigen introductie genoemd) bestaat zo lang als het fenomeen studentenverenigingen zelf. Maar waarom eigenlijk? En waarom gaat het zo vaak fout? Hoe ging het vroeger? En kan de ontgroening niet beter afgeschaft worden? Vox sprak met verschillende generaties studenten en dook in de geschiedenis van ontgroeningen in Nijmegen.

De rondrit begint in Maastricht, thuis bij Jan-Willem Bertens (80). Voordat hij als diplomaat in half Zuid-Amerika werkte, was Bertens wellicht de actiefste geschiedenisstudent van Nederland. Hij had naar eigen zeggen 22 nevenfuncties als studentbestuurder. ‘Bijvoorbeeld bij de studentenzwembond, terwijl ik niet eens kon zwemmen – nog steeds niet trouwens.’ Een geschiedenisstudent had vroeger zoveel vrijheid dat het volgens Bertens vanzelfsprekend was om er van alles bij te doen.

De ontgroening duurde vroeger vijf weken

Lid worden van het Nijmeegsch Studenten Corps was destijd de norm. ‘Er waren in mijn tijd 2.000 tot 3.400 studenten in Nijmegen en iedereen was lid. De contributie van de vereniging zat zelfs bij het collegegeld inbegrepen. Dat was normaal in die tijd. Ook toen hoorde daar een groentijd bij. De eerste drie weken was die heel zwaar, gevolgd door twee rustiger weken. Uiteindelijk werd je als nuldepaars pas in december geïnaugureerd.’

Wat er precies gebeurt tijdens een ontgroening is geheim. Een (oud-)lid praat daar niet over met buitenstaanders. Toch wil Bertens – zestig jaar later – wel wat kwijt. ‘Het was een prachtige tijd. Zwaar, maar ik heb er ook van genoten. Je leerde liedjes die je de hele dag moest zingen. Je mocht geen vragen stellen, maar er werd jou juist de hele dag van alles gevraagd. Iedereen had een bord om zijn nek met zijn naam erop, dat moest je de hele dag om houden.’

Schilderwerk
Bertens was in zijn latere carrière bij de vereniging een tijdlang praeses van de groencommissie. Bijzonder streng was hij niet voor zijn ‘klooien’. ‘Ene meneer Bertens was de baas van de ontgroeningscommissie. Dit zorgde voor veel geouwehoer, maar in tegenstelling tot de rest was hij gelukkig wel mild voor ons’, schrijft een van de studenten uit die tijd in een boek van het dispuut De Cardinalen.

Bertens introduceerde eigenhandig een traditie die tot op de dag van vandaag in gebruik is. Onder zijn supervisie gingen de eerstejaars aan het werk in de stad. ‘Ik kende de directeur publieke werken van de gemeente Nijmegen en vroeg of hij niet wat werk had voor onze eerstejaars: een muur verven, een stoep verleggen, het maakte eigenlijk niet uit. Hij had wel wat schilderwerk. Sinds die tijd hebben ze parkhekken geschilderd. De groentijd beheerste destijds in september echt het hele stadsbeeld. De nuldejaars liepen met een bord om hun nek over straat, met een raar bolhoedje op. En zo gingen ze aan het werk – dat gaf natuurlijk bekijks.’

‘Wij zorgden ervoor dat de excessen de media niet haalden’

De excessen die tegenwoordig de media halen, waren er in zijn tijd ook vast en zeker, beaamt Bertens. ‘Maar wij zorgden ervoor dat die niet in de krant kwamen. Al moet ik erbij zeggen dat wat ik de laatste jaren in de pers lees, wel extraordinair is. Iemand op zijn hoofd trappen, je eigen urine moeten drinken, die sekslijst met die dames… Dat gebeurde in onze tijd niet. Er werd wel eens gemept, dat wel. Het was verboden en het werd vaak ook gecorrigeerd, maar natuurlijk gebeurde dat vroeger ook.’ Niet veel later zegt hij lachend over dit onderwerp: ‘Mijn groentijd ging wat dat betreft gelukkig prima. Wij werden gewoon geestelijk kapot gemaakt, we werden collectief verneukt. Zoals het hoort dus, haha.’

Zo hoort het inderdaad, vanuit het perspectief van een studentenvereniging althans. De ontgroening is vooral bedoeld om een grote groep onbekenden in recordtempo aan elkaar te laten wennen en te zorgen dat ze een band voor het leven krijgen. Een loodzware introductie is de manier bij uitstek om dat te bewerkstelligen.

ontgroening04
Foto: KDC Nijmegen

In de jaren negentig onderzocht sociaal psycholoog Hein Lodewijkx de effecten van een ontgroening. Wat bleek: hoe zwaarder de introductietijd, hoe hechter daarna de band van de eerstejaars. Hij vond bewijs voor de suffering leads to liking-theorie. In zware ontgroeningstijden ondersteunen de eerstejaars elkaar zo sterk dat ze vanzelf naar elkaar toe groeien. Het blijkt ook nuttig om de studenten te vermoeien, hetzij door ze fysiek werk te laten doen, hetzij door hun nachtrust te verstoren. Ook het dragen van uniforme kleding en het veranderen van iemands naam dragen bij aan de-individualisering en dus aan het groepsgevoel. Ook dat gebeurt traditiegetrouw volop bij ontgroeningen.

‘Wij werden vroeger ook allemaal kaalgeschoren, dan kon je je direct nergens meer vertonen in de stad’, zegt Martin-Jan van Mourik, emeritus hoogleraar Notarieel- en privaatrecht. Hij was lid van dispuut Olifant van de herensociëteit Roland, een voorloper van Carolus Magnus. Van Mourik leerde bij de vereniging zijn vrouw Li-Tjoe kennen, die lid was van meisjesclub Nausikaä. Ze noemden hun tweede kind Roland, naar de sociëteit. Roland werd later – uiteraard – ook lid van Carolus Magnus en was zelfs een jaar praeses. Gedrieën vertellen ze graag hoe de ontgroening en het daaropvolgende lidmaatschap er in hun tijd uitzagen.

Vangrail
Volgens hen zijn de excessen die we in de media lezen niets nieuws en moeten we er niet te zwaar aan tillen. ‘De excessen worden niet groter, daar geloof ik niet zo in’, zegt Roland van Mourik. ‘Maar mensen worden mondiger en communiceren anders. Alles gaat tegenwoordig met een fotootje op Facebook en binnen no-time is het bekend bij iedereen. De excessen komen nu beter en sneller aan het licht. Wat er in Groningen gebeurd is, ga ik natuurlijk niet goedpraten, maar het gebeurt. Je moet dit soort situaties proberen te voorkomen, maar met massagedrag is het onvermijdelijk dat mensen over de schreef gaan.’

Nijmegen 2211- Fam van Mourik, notarissen / RM
De familie Van Mourik. Foto: Erik van ’t Hullenaar

Zijn vader is het daarmee eens. ‘Dat er ergens iets gebeurt, is bijna onvermijdelijk. Ik keur het af, maar het hoort er wel bij. Zo’n ontgroening is een spel dat behoorlijk serieus gespeeld wordt. Als je gaat autoracen, moet je ook accepteren dat er zo nu en dan eentje de vangrail in vliegt. Ik heb zelf ooit mijn enkel gebroken, in mijn tweede jaar, met het binnenvechten.’

Er zijn verschillende tradities binnen de studentenvereniging die draaien om fysiek contact, althans bij de mannen. Je hebt het binnenvechten, waarbij één groep de sociëteit of kroeg van de andere groep wil binnendringen. Je hebt het brassen of zooien, waarbij twee studenten elkaar bij de jasjes pakken en op de grond proberen te werken. ‘Het is maar een spel, dat moet je niet vergeten. Het is allemaal vriendschappelijk, naderhand drink je samen een biertje’, zegt Van Mourik junior. ‘Maar het kan er behoorlijk fysiek aan toe gaan.’

Een ander vast onderdeel van de ontgroening was les in etiquette

Bertens was overigens ook bijzonder bedreven in het binnenvechten. Als praeses van de groencommissie ging hij ooit met vijftig klooien en een delegatie ouderejaars naar Veritas in Utrecht om ‘iets recht te zetten uit het verleden’. Dat liep zo uit de hand dat Bertens gearresteerd werd voor huisvredebreuk – hij had immers de leiding over het geheel. Bij wijze van uitzondering haalde dit wel de krantenkoppen. Een kopie van het artikel heeft hij nog altijd op zolder liggen. ‘Dit justitieel avontuur kostte me bijna de toegang tot het zogenoemde diplomatenklasje’, zegt hij daar nu over.

Bij de dames ging (en gaat) dat anders, minder gewelddadig. ‘Wij werden niet aangeraakt’, zegt Li-Tjoe van Mourik. ‘Wij werden wel de halve dag afgeblaft en moesten klusjes doen waar we geen zin in hadden. Maar het was geen moment agressief.’ Die observatie komt overeen met het eerder aangehaalde wetenschappelijk onderzoek naar ontgroeningen. Volgens de studie hebben vrouwen niet per se een negatieve ervaring nodig om tot elkaar te komen – dat kunnen ze ook zonder.

Een ander vast onderdeel van de eerste periode bij een studentenvereniging was de les in etiquette, vertelt Li-Tjoe van Mourik. ‘Wij leerden bijvoorbeeld dat als je een lange jurk droeg bij een gala, je je handschoenen pas uitdeed na het voorgerecht. Dat is nu natuurlijk overdreven, maar zo leerden wij dat.’

Verbod
Alle geïnterviewden zijn het erover eens dat een ontgroening onlosmakelijk hoort bij een vereniging. Een verbod, zoals volgend jaar in Groningen geldt, zou funest zijn voor de kern van het verenigingsleven. ‘De essentie is dat je een drempel opwerpt om lid te worden’, zegt Roland van Mourik. ‘Stel dat je de vereniging openstelt voor jan en alleman, dat je kunt binnenlopen en je bent lid. Dat werkt niet. Het is niet zo dat je samen aan de bar gaat staan en je vormt een jaarclub. Dan krijg je zo’n samengeraapt geheel dat de essentie en het karakter van de vereniging verloren gaan.’

ontgroening05
Foto: KDC Nijmegen

Zijn vader vult hem aan: ‘De kracht van de ontgroening is dat er banden ontstaan die een leven lang standhouden en dat je normen, waarden en vaardigheden worden bijgebracht. Op de groentijd volgen een jaarclub en een dispuut. Daarbij verbind je je aan de mores en de gebruiken van het dispuut. Die band die je dan krijgt, gaat door dik en dun, dispuutgenoten zijn geweldig.’ Dat uit zich ook bij de anderen. Zo is Li-Tjoe van Mourik net terug van een vakantie met zeven oud-dispuutgenoten.

Ook Bertens, die zelf een dispuut oprichtte, is lyrisch over de band met ‘zijn club’. ‘Mijn huwelijk met mijn dispuut is voor mijn hele leven. Godzijdank ga ik niet meer elke dag met die boerenlullen om, maar het dispuut heeft er wel voor gezorgd dat we een band voor het leven hebben. De groentijd heeft daar de eerste aanzet toe gegeven en dat is een heel groot goed.’

Carrière
Los van de vriendschapsbanden die tijdens en na de ontgroening ontstaan, zou lidmaatschap van een studentenvereniging ook in het werkende leven van grote waarde zijn. Lianne van Keijsteren heeft daar goed zicht op. Zij was in 2009 praeses van Carolus Magnus en is nu senior recruitment consultant bij werving- en selectiebureau Michael Page. ‘Stel, je bent lid van een studentenvereniging en zoekt een stage’, zegt ze. ‘Veel mensen regelen hun stage via iemand die ze kennen. Via de vereniging heb je een enorm netwerk, ook van mensen die al wat ouder zijn. Dat is enorm nuttig. Bij mezelf is dat ook van belang geweest bij mijn eerste baan. Ik zag na mijn afstuderen een traineeship bij Van Lanschot Bankiers en kende een oud-lid dat daar werkte. Hij heeft me veel informatie gegeven over het bedrijf. Dat helpt allemaal.’

Van Keijsteren wijst naar buiten – ze werkt op de Zuidas – naar een aantal van de meest prestigieuze advocatenkantoren van Nederland. ‘Iedere studentenvereniging heeft zo haar eigen kantoren waar ze goed vertegenwoordigd is. Oud-leden van een vereniging trekken elkaar aan, zo werkt het blijkbaar. In het begin van je carrière zet je meestal op je cv of je ergens lid bent geweest. Als je dan op gesprek komt bij een oud-lid van jouw vereniging, schept dat een band.’

‘Lidmaatschap van een vereniging zegt iets over je competenties.’

Vooral tijdens de start van je werkende leven is het lidmaatschap volgens Van Keijsteren handig. ‘Niet alleen om het lidmaatschap zelf, maar ook omdat het iets zegt over je competenties, zeker als je in veel commissies of het bestuur hebt gezeten. Tegenwoordig zijn iemands persoonlijke kwaliteiten veel belangrijker dan de vraag of je je studie in vier jaar hebt afgerond. Recruiters vragen tijdens een sollicitatieprocedure om concrete voorbeelden van wat je kunt. Ik kon na mijn afstuderen putten uit mijn ervaring in het bestuur van Carolus Magnus, dat was fijn. Maar dit geldt vooral aan het begin van je carrière. Daarna zul je je net als ieder ander moeten bewijzen op de werkvloer. Al blijft je enorme netwerk soms deuren voor je openen.’

Met de kleine voorsprong op de arbeidsmarkt zijn nog niet alle voordelen van een verleden bij een vereniging genoemd. ‘Oud-leden zetten doorgaans een stapje extra voor elkaar’, zegt Martin-Jan van Mourik. ‘Dan is het wel zo handig om een dispuutgenoot te bellen die oogarts is, zodat je niet in de wachtkamer hoeft te zitten. Het old boys network inderdaad, maar zo werkt het wel in onze maatschappij. Dispuutgenoten die mij benaderen met een vraag of probleem help ik ook meteen. Dat zal nooit veranderen. Dat doe je gewoon voor elkaar.’

4 reacties

  1. Jaap schreef op 27 december 2016 om 15:13

    Mooi en terecht tegengeluid! Complimenten!

  2. Willy Peters schreef op 3 januari 2017 om 11:56

    Als je nou echt een stuk wilt schrijven dat enige impact zou kunnen hebben, zou je ook oud-studenten moeten interviewen die, volgens goed-Nijmeegse traditie, geen groentijd hebben gehad en in het Nijmeegse studentenleven zijn gedoken en daar hun vaardigheden en contacten hebben kunnen ontwikkelen. Pas dan kun je oordelen of een studentenvereniging met groentijd iets toevoegt. Vooralsnog is dit stuk alleen maar een reclamepraatje van alleen maar positief gestemde voorstanders. Eenzijdig en daarmee nietszeggend. Gemiste kans.

  3. Esra schreef op 5 januari 2017 om 13:49

    ‘De kracht van de ontgroening is dat er banden ontstaan die een leven lang standhouden en dat je normen, waarden en vaardigheden worden bijgebracht.’

    Wat zijn die normen en waarden dan? Elkaar vernederen, bangalijsten opstellen en vriendjespolitiek bedrijven? Als die clubs zo exclusief en geweldig zijn, waarom houden ze dan niet op met al dat onvolwassen gedoe, waarom gaan ze niet iets doen waar de maatschappij iets aan heeft. Dát schept pas een band.

  4. Joost Bak schreef op 5 januari 2017 om 13:54

    Ontgroening is en blijft een primitieve gewoonte, bedoeld om de eigenheid van mensen uit te schakelen om zo op geforceerde wijze een groepsgevoel te creëren. Het is onderdeel van een typisch oude-jongens-krentenbrood sfeertje dat past bij een tijd waarin alleen rijkeluis-kinderen studeerden. Het is niet voor niets dat dit verschijnsel in de jaren zeventig en tachtig – toen kinderen van arbeiders gingen studeren – op een lager pitje kwam te staan, terwijl het tegenwoordig – waar studeren weer iets voor kinderen uit welgestelde milieus is – opnieuw populair aan het worden is…

Geef een reactie