Hoe de crowd een gebedenboek redt

05 feb 2016

Begin 2015 startte hoogleraar Johan Oosterman de eerste crowdfundingsactie van de Radboud Universiteit. Binnen vijf weken was het streefbedrag van 25.000 euro bereikt. Inmiddels is het tienvoudige binnen en is in Berlijn en Nijmegen het onderzoek in volle gang. ‘Ik wist: ik heb beet en nu moet ik vasthouden.’

Foto: Dick van Aalst
Foto: Dick van Aalst

Berlijn, 5 november 2015
En toen was er champagne. In het Berlijnse Rathgen Forschungslabor, het oudste museumlaboratorium ter wereld, ontmoeten de leden van het onderzoeksteam Maria van Gelre elkaar voor het eerst: twee kunsthistorici, vijf chemici, twee restauratoren, twee mediëvisten en een historica, uit Berlijn, Wenen en Nederland. Labdirecteur Ina Reiche laat de kurken knallen. De glazen tinkelen en de gezichten glunderen: wij gaan samen pionierswerk verrichten.

Initiatiefnemer en projectleider Johan Oosterman: ‘Hier heb ik, zonder het te weten, de afgelopen tien jaar naar toegewerkt. Alle kennis, netwerken en contacten die ik heb opgebouwd, komen in dit project samen.’

Berlijn, mei 2014
Het begon allemaal met zijn sabbatical. Oosterman, mediëvist en hoogleraar Oudere Nederlandse letterkunde, in 1995 gepromoveerd op onderzoek naar berijmde gebeden in middeleeuwse handschriften, besluit te kijken of er op dat gebied nog meer te ontdekken valt. ‘Ik heb in allerlei bibliotheken gezocht naar handschriften die mogelijk interessant waren.’

Zo ook gedurende de maand die hij in Berlijn doorbrengt. Dagelijks fietst hij naar de Staatsbibliothek zu Berlin aan de Potsdamer Strasse, die een rijke collectie handschriften bezit, waaronder het gebedenboek van Maria van Gelre uit 1415. Dat boek staat niet op Oostermans lijstje – Noord­-Nederlandse handschriften bevatten doorgaans geen berijmde gebeden. Maar het gebedenboek geldt als hoogtepunt van de Noord­Nederlandse miniatuurkunst en Oosterman hoopt het te mogen inzien. Omdat conservator Eef Overgaauw een goede bekende is, durft hij het te vragen.

GebedenboekOvergaauw moet ferm blijven. Het handschrift is te kwetsbaar. Vanwege de ernstige beschadigingen in perkament en verf ligt het losbladig in de Klima­kammer, bij een constante temperatuur van 18 graden, een pH­waarde onder de 7 en een luchtvochtigheid van maximaal 45­50 procent. Veilig opgeborgen in een doos met daarop in rode letters “Für die Benutzung GESPERRT”.

Hij mag wel de digitale kopieën inzien. Oosterman ziet, leest en wordt met de minuut enthousiaster. Hij ontdekt dertien berijmde gebeden, waaronder een wonderschone Nederrijnse vertaling van het Stabat mater. En hij ontdekt nog meer uitzonderlijks, zoals de opvallend persoonlijke inhoud, de omvang (1238 pagina’s) en een immense hoeveelheid heiligengebeden – ‘maar liefst 180!, de nummer 2 heeft er 110 en dat is al extreem!’

Hij mailt meteen zijn bevindingen door naar twee vakgenoten: ben ik nou gek of is dit echt zo bijzonder? ‘Ze zeiden: “We kennen het boek, maar wat je vertelt, is nog door niemand opgemerkt en bevestigt dat dit boek in alles uitzonderlijk is.”‘

’s Avonds zegt hij tegen zijn vrouw: ‘Dit is de vondst van mijn sabbatical, zo spectaculair en het zet het beeld  zo op de kop. Hier heb ik voor jaren werk aan.’ Hij wordt bevangen door een “schatgraversgevoel”: ‘Dat jij de eerste bent na decennia die weer toegang tot zo’n boek krijgt. Diverse onderzoekers zeiden: ik ben jaloers dat jij het gezien hebt. Ik wist: ik heb beet en nu moet ik vasthouden.’

Hij weet ook dat er iets moet gebeuren om het boek uit de doos te krijgen. ‘Ik zei tegen Eef: “Het is toch ondenkbaar dat zo’n boek niet toegankelijk is?” Dat vond hij ook, maar de Staatsbibliotheek heeft vele kwetsbare schatten die om aandacht vragen, zoals eigenhandig geschreven partituren van Bach die door inktvraat uit elkaar vallen. Toen zei ik: wat moet ik doen, zodat dit hoger op jullie urgentielijstje komt?’

Een paar weken later vindt hij de oplossing in de kloosterkerk van Schäftlarn in Zuid­Duitsland. Hij ziet daar plafondschilderingen die met behulp van crowdfunding zijn gerestaureerd. ‘Ik dacht: zo gaan we dat doen.’

Gebedenboek2
Foto: Dick van Aalst

Berlijn-Nijmegen, september 2014
Terug in Nijmegen probeert Oosterman de universiteit warm te krijgen voor crowdfunding. Samen met facultaire en universitaire pr-­mensen licht hij alle facetten door. Hoe krijg je mensen uit Gelderland bijvoorbeeld zo gek dat ze een restauratie financieren van een boek dat in Berlijn ligt en daar blijft? ‘Op alle mogelijke tegenwerpingen moet je een goed antwoord hebben. Dat hebben we heel uitgebreid en zorgvuldig achter de schermen voorbereid.’

Hij maakt afspraken met Museum Het Valkhof voor een tentoonstelling in 2018. En hij keert terug naar Berlijn, om harde toezeggingen te krijgen over hun medewerking.

Op een septembermiddag heeft hij overleg in de Staatsbibliotheek met Overgaauw en Julia Bispinck, hoofd van de restauratieafdeling. Bispinck suggereert dat hij na afloop het boek wel even mag bekijken. ‘Het gesprek liep heel goed, de sfeer was uitstekend. We waren al anderhalf uur aan het praten en ik moest bijna weg om mijn trein te halen. Toen ze vroegen of ik het boek nog wilde zien, zei ik: “Nee, dat zou nu niet meer zijn dan de sensatie het gezien te hebben, ik kom liever terug als ik echt de tijd heb.” Een kwartier later liep ik de Staatsbibliothek uit, stikchagrijnig dat ik het niet gezien had.’

Twee dagen later komt de bevestigingsmail over samenwerking binnen. ‘Juist met mijn weigering had ik het vertrouwen bij de restauratoren gewekt.’ Vlak voor kerst 2014 volgt de toezegging van de universiteit, die gaat investeren in de voor crowdfunding benodigde software.

Nijmegen, 23 februari 2015
“Te breekbaar om nog aan te raken, te mooi om onbekend te zijn.” Rare poëtische zin, vinden de pr­-mensen, maar Oosterman wil zijn zin per se in de flyer en op de website voor de crowdfundingsactie. ‘Bij lezingen laat ik altijd die enorme barsten in het perkament zien. Juist die combinatie van enorme pracht en extreme breekbaarheid doet een appel op mensen: zoiets moois mag toch niet verloren gaan?’

De crowdfundingsactie, precies zeshonderd jaar na de geboorte van het gebedenboek, haalt binnen vijf weken het beoogde bedrag van 25.000 euro op. Onder de 350 donateurs zitten mensen die vroeger zelf gebedenboeken in huis hadden en een Arnhemmer die in de Maria van Gelrestraat woont. Een anonieme Amerikaan schenkt daarbovenop 50.000 euro, goed voor een halve postdoc (de faculteit telt de rest neer). Overgaauw haalt bij de Ernst von Siemens Kunststiftung 60.000 euro op voor technisch en materieel onderzoek, Oosterman krijgt  subsidie vanuit het NWO-­programma Alfa Meerwaarde.

Foto: Dick van Aalst
Foto: Dick van Aalst

Anno 2016 staat de teller op 220.000 euro. Volgens Oosterman ligt de aantrekkingskracht van zijn project in het gevoel van een directe band met het eigen verleden en erfgoed. Het handschrift vormt een lijntje naar onze voorouders, naar hun leven, waarden en verlangens. Oosterman durft zo langzamerhand wel te zeggen dat zijn eigen persoon ook een rol speelt. ‘Ik weet mijn gedrevenheid over te dragen. Wetenschap boeit als het over grote spectaculaire zaken gaat, maar wordt bovenal interessant door gepassioneerde wetenschappers.’


Wetenschappers die willen crowdfunden, krijgen sinds vorig jaar steun van de universiteit, die helpt bij het opzetten van een campagne en een website om geld op te halen. Na Johan Oosterman – hij was de eerste –  is het nu historicus Bart Verheijen die geld wil ophalen voor onderzoek. Verheijen promoveert op het verzet tegen Napoleon, en mikt op het ophalen van 3.500 euro voor het maken van een cd met verzetsliederen. Die liederen zijn alleen op papier bekend, en nog nooit op muziek gezet. Afhankelijk van het bedrag, kan de donateur een tegenprestatie van de onderzoeker tegemoet zien. Zie www.ru.nl/crowdfunding


Berlijn, november 2015
De deelnemers aan de alumnireis van de universiteit  hangen aan zijn lippen als Oosterman in de Staatsbibliothek vertelt over het gebedenboek. Ze krijgen enkele  middeleeuwse handschriften te zien en mogen een kijkje nemen in de Klima­kammer, maar het gebedenboek blijft in de doos. Dat komt er pas een dag later uit, als bekroning van het tweedaags seminar met het onderzoeksteam.  Postdoc Miranda Bloem, kunsthistoricus, ziet het voor het eerst en kreunt verzaligd: ‘Sluit mij hier vannacht maar op.’

Even daarvoor heeft Bloem haar hypotheses over het aantal verluchters (illustratoren, red.) uiteengezet en toonde chemicus Cristina Aibéo de eerste bevindingen uit de analyse van verfpigmenten. Dat kunsthistorici, boekhistorici en natuurwetenschappers van meet af aan samen optrekken, maakt dit project uniek. De chemicus kan bijvoorbeeld ondersteunend bewijs leveren voor de kunsthistoricus. Die multidisciplinaire aanpak stond Oosterman meteen al voor ogen. Hij is geen mediëvist die zich begraaft in teksten, maar kijkt juist graag buiten het boekje. ‘Ik ben geïnteresseerd in hoe boeken gemaakt zijn, hoe ze werden gebruikt en welke verhalen ze ons vertellen over mensen. Vakgebiedoverschrijdende samenwerking vergroot de inzichten daarover.’

Nijmegen, januari 2016
Oosterman ziet een wetenschappelijke stip aan de horizon. Hij wil een standaard zetten: een publicatie met volledige open access data. ‘Zodat latere onderzoekers niet alleen onze resultaten kunnen bekijken, maar ook kunnen controleren hoe wij ertoe gekomen zijn.’

Dat is minder logisch dan het klinkt. Wereldwijd wordt genoeg onderzoek gedaan naar verfpigmenten en naar de samenstelling van gebedenboeken, maar die kennis wordt te weinig gedeeld; ze  zit verborgen in bureauladen en op harde schijven van onderzoekers. Eeuwig zonde, vindt Oosterman. ‘Dat gaan wij anders doen.’

Hij kijkt ook terug. Het was een roerig jaar, maar ook een prachtjaar: ‘Soms heb je het gevoel dat wat je als onderzoeker doet iets uithaalt en dat is bij dit project het geval. Het is ongelooflijk wat er allemaal is bereikt en in beweging gezet.’ / Bea Ros


KADER Spoorzoeken in perkament:  vragen rondom het gebedenboek
Wat veroorzaakt de beschadigingen?
Onder de juiste omstandigheden is perkament, anders dan papier, onverwoestbaar. Het gebedenboek telt echter op zo’n honderd bladen lange  verticale scheuren. Mogelijk heeft het rijkelijk aangebrachte bladgoud het perkament aangetast of leverde de sierband, op elke pagina precies op dezelfde plaats, te veel druk op. De overdaad lijkt het boek de das om te doen. De chemici doen testen met  perkamentsamples – zelf gemaakt, want van het gebedenboek mag geen snipper verwijderd worden – om de beschadigingsprocessen te begrijpen.

Hoeveel verluchters zijn er? Het gebedenboek bevat 106 miniaturen, 156 initialen, 121 drôlerieën (grappige margefiguurtjes) en op elke pagina randdecoratie. Volgens de literatuur is dat alles het werk van twee miniatuurtekenaars, kunsthistorica Miranda Bloem vermoedt er minstens vier. Verfpigmentanalyses en microscopische vergrotingen helpen haar dit te onderzoeken. Zo laat deze vergroting zien dat de miniatuur later is geschilderd dan de sierrand: de gewaden vallen over de rand heen.

Wat las Maria? Wat staat er allemaal in het boek? Tot welke heiligen bad Maria? Hoe verhoudt haar boek zich inhoudelijk tot andere gebedenboeken uit die tijd en regio?  Oosterman hoopt hier een promovendus op te kunnen zetten. (‘Heeft er nog iemand een ton over?’)

Wie was Maria van Gelre? “Dit boich hait laissen scriven Maria, hertzouginne van Gelre ind van Guylich, ind greyvynne van Zutphen. Vrauwe des edelen houtzougen Reynalts.” Deze expliciete vermelding met naam en toenaam van de opdrachtgever is zeldzaam. Maria van Gelre was een zelfbewuste vrouw, vermoedt Oosterman. Niet klein en geknield, maar majestueus als de maagd Maria liet ze zich in haar gebedenboek afbeelden. Oosterman gaat met subsidie van wetenschapsorganisatie NWO in zijn erfgoedproject Sporen in het Landschap haar gangen na.


Dit artikel verscheen ook in Vox 5.

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een dagelijkse of wekelijkse nieuwsbrief met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands
Verzonden!