Pieter Roelofs over de restauratie van de Nachtwacht

01 jul 2019

De Nachtwacht loopt als een rode draad door het leven van Pieter Roelofs, hoofd schilder- en beeldhouwkunst van het Rijksmuseum. De restauratie die deze maand begint, maakt hij van dichtbij mee. Roelofs studeerde kunstgeschiedenis in de Waalstad.

‘Kijk dáár.’ Pieter Roelofs wijst naar iets op de Nachtwacht. Het is doodstil in de eregalerij van het Rijksmuseum. De laatste bezoeker is twee uur geleden de Amsterdamse binnenstad ingetrokken. Roelofs, hoofd schilder- en beeldhouwkunst van het Rijksmuseum, is – met pers en fotograaf op de hielen – door de witgepleisterde gangen onder het museum door gelopen, de verlaten trappen op gesneld en tot stilstand gekomen voor Rembrandts beroemdste schilderij. Een langslopende bewaker knikt naar Roelofs en verdwijnt weer in de leegte.

‘Kom iets dichterbij’, zegt Roelofs en hij stapt over het strak gespannen touwtje. Even daarvoor heeft hij verteld hoe geraffineerd Rembrandt van Rijn het oog van de kijker stuurt. Hier is dat naar de hand van kapitein Frans Banninck Cocq, waarvan de schaduw precies valt op de jas van zijn luitenant. Tussen duim en wijsvinger van die schaduw staat op het borduurwerk van de jas, inderdaad, het wapen van Amsterdam.

Theaterstuk

Het fraaiste stukje van de Nachtwacht, vindt Roelofs, want het drukt precies uit waar het schilderij over gaat: de stadswacht van Amsterdam die de bevolking beschermt tegen binnendringers, Spanjaarden in die periode. Historisch gezien uniek omdat in de rest van de wereld de adel en niet het volk belast was met de veiligheid van stad en land. Rembrandt plaatst de schutters niet netjes naast elkaar, iedereen even goed herkenbaar en in felle kleuren. ‘Hij doet iets volstrekt anders dan al zijn tijdgenoten. Rembrandt zet niet de mens, maar de actie centraal, hij maakt er een theaterstuk van. Hij schildert de stadswacht op het moment van uitmarcheren; de lijnen van de wapens die de mannen vasthouden, suggereren beweging. Hij creëert diepte en spanning met gedempte kleuren in de achtergrond en heldere kleuren op de voorgrond. Rembrandt zet eigenlijk alles in wat je als kunstenaar volgens de kunsttheorie kunt inzetten om een verhaal te vertellen.’

‘We willen het schilderij goed doorgeven aan onze kinderen en kleinkinderen’

De Nachtwacht heeft de mooiste plek in het museum. Architect Pierre Cuypers gaf het Rijksmuseum in 1885 vorm als een kathedraal voor de kunst, waarbij de Nachtwacht een plaats kreeg op het hoofdaltaar. Het schilderij heeft er sindsdien vrijwel altijd gehangen. Alleen in de Tweede Wereldoorlog en voorafgaand aan de grote verbouwing in 2003, gleed het door de reuzenbrievenbus, onopvallend aangebracht vlak onder de Nachtwacht, naar de passage buiten.

Witte waas

Deze zomer wordt het schilderij gerestaureerd. Voor de 26ste keer in vier eeuwen tijd. Rond het hondje hangt een witte waas. In de kleding van Banninck Cocq zitten vage plekken. Hier en daar is sleetsheid zichtbaar. De keren dat het schilderij is aangevallen met mes of zoutzuur hebben sporen nagelaten en de overschildering begint zichtbaar te worden. ‘Dingen die niet zorgwekkend zijn, maar die we wel willen begrijpen en aanpakken. We voelen de verantwoordelijkheid om het schilderij goed door te geven aan onze kinderen en kleinkinderen. Daarom hebben we gezegd: nu is het moment om er, met de expertise die we hebben, met de restauratoren, de wetenschappers en conservatoren, goed de schouders onder te zetten.’

Pieter Roelofs in de museumbibliotheek. Foto: Duncan de Fey
Pieter Roelofs in de museumbibliotheek. Foto: Duncan de Fey

Eerst is er een gedegen onderzoek naar de conditie van het schilderij, daarna stellen de deskundigen een behandelplan op. De Nachtwacht gaat van de muur en uit de lijst en dan op de ezel die er speciaal voor is gemaakt. Op een hefplateau komt state-of-the-artonderzoeksapparatuur te staan. Daarmee kijken de deskundigen dwars door alle verflagen heen: van het vernis en de toplaag tot aan het doek. ‘Je ziet iets wat niet voor onze ogen bedoeld is. Al Rembrandts denkbewegingen op het doek kunnen we bekijken.’ En niet alleen die van de meesterschilder. Rembrandt was een firma. Hij werkte met leerlingen die allemaal bijdroegen aan het eindproduct. ‘Het kan zijn dat we – door zo gedetailleerd te kijken – een onderscheid in handen kunnen zien.’ Het publiek kan via een glazen wand – en online – meekijken met de restauratoren. Er is geen dag dat de Nachtwacht niet zichtbaar zal zijn.

Tof

Pieter Roelofs was tien jaar oud toen hij voor het eerst vertelde over Rembrandt. Locatie: zijn basisschool in Druten. Na die spreekbeurt heeft de zeventiende-eeuwse schilder Roelofs niet meer losgelaten. Samen met zijn zusje bezocht hij musea, ook het Rijksmuseum. Vader en moeder gingen mee ‘omdat ze wel zagen dat wij een museumbezoek echt heel tof vonden’.

Roelofs ging kunstgeschiedenis studeren aan de Radboud Universiteit en stond op zijn negentiende opnieuw voor de Nachtwacht. Hij kan het zich precies herinneren, want daar ontspon zich een discussie tussen zijn hoogleraar Christian Tümpel en kunsthistoricus Egbert Haverkamp Begemann over het schilderij. ‘Tussen die twee mannen ontstond ter plekke iets heel bijzonders.’ Luisterend naar dat tweegesprek werd het de student Roelofs opeens haarscherp duidelijk wat de Nachtwacht voor de Nederlandse schilderkunst betekent. ‘Soms heb je van die momenten in je leven die je altijd bijblijven en dat was er een voor mij.’

‘De hele wereld komt hier samen.’

Als student specialiseerde hij zich al in zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst. ‘We hadden een heel actieve studentenclub bij kunstgeschiedenis. We zijn een kunsthistorisch tijdschrift begonnen, Desipientia, en het leuke is dat het nog steeds bestaat.’ Na een korte periode als onderzoeker werkte Roelofs drie jaar in Museum Het Valkhof, waar hij als conservator onder meer de tentoonstelling ‘Gebroeders van Limburg: Meesters aan het Franse Hof’ organiseerde. Het werd een kaskraker. Nu werkt hij al dertien jaar in het Rijksmuseum. De tweede verdieping, met de topstukken uit de gouden eeuw, is voor hem één grote snoepwinkel.

Catharina de Grote

Roelofs leidt zijn bezoek langs portretten van rijke burgers met plooikragen, schilderijen van gewonnen zeeslagen, Delfts blauw servies en poppenhuizen waarin de rijken hun eigen interieur nabootsten. Eigenlijk is het een wonder dat Nederland zo’n grote collectie aan zeventiende-eeuwse schilderijen heeft, zegt Roelofs terwijl hij verder loopt. In die gouden eeuw zijn in Nederland zes tot tien miljoen schilderijen gemaakt, maar een groot deel verdween een eeuw later al de grens over. ‘Catharina de Grote verscheepte ladingen naar Sint-Petersburg, industriëlen namen ze mee naar Amerika. Toen wij in 1885 voor het nieuwe Rijksmuseumgebouw begonnen met verzamelen, was de markt afgeroomd.’

Ruilen. Dat is de manier waarop musea hun collectie – tijdelijk – uitbreiden, voor hun tentoonstellingen. Ik leen iets aan jou, dan leen jij iets uit aan mij, dat principe. Het Rijksmuseum heeft met zijn topcollectie een goede uitgangspositie. ‘Die zetten we ook in voor de Collectie Nederland’, haast Roelofs zich te zeggen. ‘Nu gaat er een stuk van ons naar Berlijn en in ruil daarvoor krijgt Museum Prinsenhof in Delft een schilderij te leen. Zo doen we dat vaak. We vinden het belangrijk dat cultuur zichtbaar en breed gedragen is in Nederland.’

Champions League

Roelofs en zijn collega’s speuren voortdurend naar nieuwe kunst: een onontdekte Jan Steen of een Rembrandt die vrijkomt uit particulier bezit. De musea houden contact met verzamelaars en rijke families als de Rothschilds, die werken van de grote schilders in huis hebben. Komt er iets vrij dan liggen spelers als het Metropolitan Museum of Art in New York en de National Gallery of Art in Washington op de loer. Lachend: ‘Soms is het net de Champions League.’

Getrainde ogen zijn onderdeel van het vak. Als een schilderij is overgeschilderd, heeft Roelofs dat door. ‘Je ziet het onder meer aan de gelaagdheid. Als de verf er later op is gezet, schijnt de ondergrond niet door de toplaag.’ Maar hij sluit niet uit dat hij een blinde vlek heeft. Een collega van het Louvre had twee jaar geleden bijna een Frans Hals gekocht; het bleek een vervalsing. ‘Dan denk je: hoe is het mogelijk dat je met de huidige onderzoekstechnieken toch in de val loopt. Kunstvervalsing is van alle tijden, dus ik durf niet te garanderen dat bij de zevenduizend schilderijen van het Rijksmuseum geen enkele vervalsing zit. Wel lichten we de hele collectie stelselmatig door met nieuwe technieken.’ Het Louvre ontdekte twintigste-eeuwse pigmentfragmenten in de eerste laag van het schilderij.

‘Papa, is er nou ook Playmobil van die mensen?’

Roelofs is altijd in Nijmegen blijven wonen. En dat laat hij merken ook. ‘Een klein stukje lokaal chauvinisme mag wel, toch? Ik voel me een ambassadeur van Nijmegen.’ De expositie anderhalf jaar geleden over de middeleeuwse schilder Johan Maelwael, afkomstig uit Nijmegen, kwam er op Roelofs’ initiatief. En Rivierlandschap met ruiters van Albert Cuyp, met een zicht op de polder bij Nijmegen, kreeg mede dankzij hem een mooie plek op de eregalerij. Als hij zijn bezoek met grote ogen naar het landschap ziet kijken, glimlacht hij. ‘De schilder heeft de stuwwal opgepompt om het tafereel romantischer en dramatischer te maken. En zie je dat goudgele op de achtergrond? Hij zet er Italiaans licht op. Dat is wat zeventiende-eeuwse schilders graag doen: ze manipuleren de kijker.’

Nijmegen was een toplocatie in de zeventiende eeuw, weet Roelofs. ‘De halve Rembrandtschool zat er, misschien Rembrandt zelf ook wel. Het was een opmerkelijk, atypisch stukje Nederlands landschap. Ook het Valkhof maakte indruk, als een van de grootste kastelen die je in de Lage Landen kon tegenkomen.’

Energie

Weten we trouwens dat Nijmegen ook een soort Rijksmuseum heeft? Het oude Canisius College aan de Berg en Dalseweg lijkt qua vormgeving sterk op het “Rijks”. Het werd gebouwd door Nicolaas Molenaar, een leerling van Cuypers, en herbergt een kleinere versie van de magistrale bibliotheek van het Rijksmuseum. Roelofs wil het maar even gezegd hebben.

Terug bij de Nachtwacht. Ziet hij het beroemde schuttersstuk nou elke dag? ‘Ik probeer altijd even te komen te luisteren waar mensen over praten als ze hier staan. De hele wereld komt hier samen, er is een soort hub aan energie.’

Playmobil van de Nachtwacht. Foto: Creative Commons

‘Papa’, vroeg Roelofs’ toen vijfjarige zoontje terwijl ze samen naar de Nachtwacht stonden te kijken, ‘is er nou ook Playmobil van die mensen?’ Roelofs opperde het idee toen, een jaar of zes geleden, bij collega’s, in de veronderstelling dat het zou stranden. ‘Maar iedereen was enthousiast.’

Als hij nu bij een werkbezoek aan bijvoorbeeld het Metropolitan Museum de Playmobil-versie van kapitein Frans Banninck Cocq en zijn luitenant in de museumwinkel ziet staan, denkt hij weer aan hoe klein dingen kunnen beginnen.

1 reactie

  1. Ton Rijken schreef op 4 juli 2019 om 20:45

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een dagelijkse of wekelijkse nieuwsbrief met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands
Verzonden!