In memoriam: Pieter Muysken, ’s lands meest gevierde taalwetenschapper

08 apr 2021

Waarom zijn er zo veel talen in de wereld? En waarom telt Zuid-Amerika ruim honderd taalfamilies en Europa maar vier? Vragen die taalwetenschapper Pieter Muysken een leven lang fascineerden. Deze week overleed ’s lands meest gevierde taalwetenschapper. Ter nagedachtenis plaatsen we een interview uit 2017 opnieuw. Muysken nam toen op 67-jarige leeftijd afscheid van de universiteit.

Leven en loopbaan van Pieter Muysken hebben iets cyclisch. Zo werd hij geboren in Bolivia en vormt de kroon op zijn werk een vierdelige uitgave over de talen van dat land. Zijn vader was mijningenieur en Muysken junior stort zich momenteel met collega’s uit de hele wereld op de karakteristieken van mijntalen. Want of je nu bij de mijnen in Limburg, Congo, Johannesburg of Bolivia en Brazilië kijkt, overal zie je mengtalen ontstaan doordat bij de opening van een mijn geschoolde gastarbeiders geronseld worden. ‘Zo kom ik aan het eind van de rit wel heel dicht bij mijn wortels. Heel bijzonder.’ En waar zijn eerste oratie, in 1989 aan de Universiteit van Amsterdam, ging over het ‘Babelprobleem’, geeft hij zijn afscheidsrede de titel ‘Terug naar Babel’ mee. Babel is de metafoor voor de tijd waarin de mensen nog één taal spraken.

‘We weten, vergeleken met toen ik begon, veel meer over hoe de talen zich hebben verspreid over de wereld’

Heeft u Babel gevonden?

‘Nee, de vragen zijn hetzelfde gebleven: waarom zijn er zo veel verschillende talen? Hoe komt het dat we niet veel meer op dezelfde manier praten? Als taal iets biologisch is, wat veel mensen zeggen, dan zou je verwachten dat de biologie sterkere beperkingen oplegt en dat taal dus eenvormiger zou zijn. Wat is er dan in ons taalvermogen dat zoveel verschillende talen, tot en met gebarentalen, mogelijk maakt? En schieten mensen er wat mee op dat taal zo divers is? Want volgens Zamenhof, de stichter van het Esperanto, is het veel handiger als we allemaal hetzelfde praten. Dat zou de spanningen tussen mensen en in de wereld wegnemen. Maar er zit tegelijkertijd iets handigs of nuttigs in die diversiteit. Bijvoorbeeld dat je je met taal kunt onderscheiden van andere groepen mensen.’

Kan het idee van een oertaal of Babeltaal wel standhouden?

‘Nee, taal is een permanent recycleproces, binnen zeven- tot tienduizend jaar is de woordenschat van een taal vervangen. Wat structuren betreft, en daar besteden we op dit moment veel aandacht aan, is het denkbaar dat er veel oudere structuren bestaan. Ik heb ooit het Quechua, een indianentaal, vergeleken met het Turks en dan zie je grammaticaal grote parallellen. Dat kan toeval zijn, maar je kunt ook kijken naar hoe talen zich hebben verspreid. De wortels van het Turks liggen in Siberië en vanuit Siberië zijn de Amerikaanse continenten bevolkt. Siberische talen lijken op enkele talen van Noord-Amerika en de westkant van Zuid-Amerika. We weten, vergeleken met toen ik begon, veel meer over hoe de talen zich hebben verspreid over de wereld. Dat komt doordat diverse vakgebieden – zoals genetica, archeologie, paleoantropologie, geschiedenis en taalkunde – veel meer samenwerken. Waar we nog steeds weinig van begrijpen, is hoe talen zich feitelijk opsplitsen.’

Wat fascineert u zo in de talen van Zuid- Amerika?

‘Het is bijzonder dat daar zoveel taalfamilies zijn terwijl het een relatief recentelijk bevolkt continent is. In 16.000 jaar zijn er 117 taalfamilies ontstaan. Dat is verschrikkelijk veel. In Europa hebben we er maar 4. Je verwacht dat je, als je heel oud bent, veel families hebt en als je heel jong bent minder, maar dat is dus niet zo. Talen blijven ontstaan. Dat zie je nu in Nederland ook: groepen die eigen mengvormen van het Nederlands creëren, zoals straattaal. Maar, vraag ik me dan weer af, kun je straattaal vergelijken met hoe in een dunbevolkt oerwoud verschillende talen ontstaan? Nou moet je bij een oerwoud ook weer niet denken aan een plek waar mensen in kleine groepjes wonen, af en toe eens een aap uit een boom schieten en voor de rest niemand tegenkomen. In feite waren alle groepen wel met andere groepen verbonden, ook om het gevaar van inteelt te vermijden. Maar door die geringe bevolkingsdichtheid groeien groepen wel sneller uit elkaar. En het kan ook dat een taal met veel sprekers minder snel verandert dan als je met weinig mensen bent. Als jij een nieuw, gek woord gebruikt, kun je dat bij vijf mensen nog wel doordrukken, maar bij honderd mensen wordt dat lastiger. Er sterven ook talen uit, doordat sprekers overlijden of kiezen voor de standaardtaal. Sinds ik in 2001 hier begon, zijn er 3 talen uit Bolivia verdwenen. Misschien zijn er over 80 jaar van de 34 talen die we beschreven hebben nog 4 over.’

Veldwerk in Ecuador. Fotograaf onbekend.

Is dat erg?

‘Voor de mensen zelf is het vaak een keuze tussen heel moeizaam overleven in een verarmde omgeving of in de stad een bestaan opbouwen. Vanuit hen bezien is het een duidelijke keuze. Voor het continent is het verlies van indianentalen een grote verarming. Het zal iets wezenlijks van iedereen wegnemen, niet alleen van de indianen. Het is voor de Zuid-Amerikanen deel van hun eigenheid en culturele erfgoed. Als je de Mapuche-indianen uit Chili zou weghalen bijvoorbeeld, zouden veel overige bewoners zichzelf vooral als gemankeerde Europeanen beschouwen: wel afkomstig uit het oude Europa, maar in alles de mindere van de ‘echte’ Europeanen.’

U hebt veel veldonderzoek gedaan. Vond u dat leuk?

‘Ja, ik doe het nog steeds, in juni ga ik weer naar Zuid-Amerika. Ik vind het telkens weer fascinerend hoe je mensen met wie je praat over hun taal ziet veranderen. Eerst reageren ze op mijn vragen sterk vanuit de werkelijkheid. Taal is voor hen een plaatje van de werkelijkheid, dus als ik vraag: kun je in jouw taal zeggen ‘er ligt een pen op tafel’, kijken ze op tafel om te zien of er een pen ligt. Na een dag of twee gaan mensen beseffen dat je in taal ook hypothetische werkelijkheden kunt creëren. Stel dat ik mijn pen op tafel had gelegd, kun je dan … enzovoort. Nog weer een paar dagen later gaan ze zelf voorbeelden bedenken van situaties waarin ze een bepaald werkwoord gebruiken en gaan ze alternatieven bieden. Dan worden ze zelf een beetje taalkundige. Vaak zijn het mensen die helemaal niet kunnen lezen of schrijven, maar die wel binnen een week de bijbehorende conceptuele ontwikkeling doormaken.’

‘Wiskunde wordt voor de taalwetenschappen steeds belangrijker’

Waar bent u het trotst op?

‘Op het Bolivia-project, waarin we alle 34 talen van Bolivia hebben beschreven. Dat kon ik doen dankzij de Spinozapremie die ik in 1998 kreeg. Toen dacht ik: die talen zijn aan het verdwijnen, wij moeten ze nu beschrijven. Ik had helemaal niet in mijn hoofd wat dat in de Boliviaanse nationale context zou betekenen. Best raar. Stel dat Japan plotseling besluit dat er in Nederland iets heel interessants aan de gang is en er een stel Japanners in Winterswijk en Almelo en Joure van alles gaan onderzoeken, weer terug naar huis gaan en er in Tokio een wetenschappelijke conferentie aan wijden. Toen we zo’n jaar of zes bezig waren, dacht ik: dit moet meer worden dan alleen iets in NWO-context, het moet een nationale plaats krijgen. Daarom hebben we de onderzoeksresultaten beschreven in een toegankelijke en betaalbare Spaanstalige uitgave. Dat was een immens karwei, maar het resultaat mag er wezen. Per deel hebben we in Bolivia een zomercursus verzorgd. Afgelopen september, toen het vierde en laatste deel af was, hebben de Bolivianen voor de eerste keer mijn overtocht betaald. Dat was voor mij het bewijs dat het niet alleen iets was wat wij als wetenschappers belangrijk vinden. In geen enkel land in Zuid-Amerika bestaat zoiets. De Peruanen en Brazilianen zijn heel jaloers, die zouden het ook wel willen. Ik ben er heel trots op, maar voor ons eigen onderzoeksinstituut gaat dit bij wijze van spreken meteen de papierbak in, het telt niet mee. Valorisatie begint nu een beetje te tellen, maar toen we ermee begonnen, was het iets wat iemand die nadacht over zijn carrière zeker niet zou doen. Ik kon het me permitteren dankzij de Spinozapremie en andere subsidies en ben blij dat ik het gedaan heb. Ik had het idee dat het belangrijk was iets terug te geven aan het land.’

Muysken kreeg in 2008 een lintje.

Waar hebt u spijt van?

‘Persoonlijk heb ik er een beetje spijt dat ik als gymnasiast alfa in plaats van bèta heb gedaan. Want wiskunde wordt voor mijn vakgebied in toenemende mate belangrijk. Verder is een onderzoeksproject minder goed gelopen dan ik had gehoopt. Het was een heel mooi promotieproject rondom etnolecten ofwel straattaal. Het werd ook meteen gefinancierd, maar diverse mensen zijn erop gesneuveld. De eerste is snel gestopt, de tweede kreeg een burn-out, de derde psychische problemen en pas de vierde heeft het afgemaakt. Als ik erop terugkijk, denk ik: het project was te mooi, het was al helemaal klaar, de promovenda hoefde alleen maar precies uit te voeren wat wij bedacht hadden. Dat was nog moeilijk ook: ze moest met Turkse en Marokkaanse jongeren in Nijmegen praten en opnames van hun taal maken. Velen wilden dat helemaal niet. Het was net in de tijd – na de moord op Van Gogh – dat het allemaal begon te verzuren. Maar ik denk vooral dat de fout was dat we het designtechnisch helemaal hadden dichtgetimmerd. Je moet veel meer initiatief bij de promovendus laten, is de les die ik eruit getrokken heb.’

Hoe ziet uw leven na de Radboud Universiteit eruit?

‘Ik was vorig jaar taalvrijwilliger bij azc Crailo, waar ik woon. Dat werkte goed, maar het azc is helaas gesloten. Nu werk ik mee als NT2-docent bij de inburgeringscursussen en dat wil ik de komende jaren blijven doen. Verder ga ik in Ecuador mijn proefschrift opnieuw schrijven, in het Spaans dit keer. De vragen die ik in mijn proefschrift stelde, ga ik opnieuw bekijken. Ik heb een contract voor een boek daar. Ik zal nog een jaar of twee, drie napruttelen en dan is het mooi geweest.’

Het interview uit 2017 is geschreven door Bea Ros.

Leuk dat je Vox leest! Wil je op de hoogte blijven van al het universiteitsnieuws?

Bedankt voor het toevoegen van de vox-app!

1 reactie

  1. Henk van den Berg schreef op 9 april 2021 om 07:50

    van 1985 tot januari 1988 heb ik bij Hans den Besten en Pieter Muysken gestudeerd. daar ben ik in kontakt gekomen met de studie van Creooltalen. Het enthousiasme van Pieter voor de studie van het Saramakkaans heeft mij meegesleept, ik heb toen een artikel geschreven over het verschijnsel Predicate Clift in Saramakkaans. Pieter was een stimulerende (hoofd)docent bij ATW aan de UvA. de studie van Creooltalen bij ATW werd door Pieter bijzonder aangezwengeld.

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een directe, dagelijkse of wekelijkse update met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands
Verzonden!