Van baron op klompen tot gevallen verzetsstrijder: het leven van student Jozef van Hövell

03-05-2018 ,

Jozef van Hövell was in de Tweede Wereldoorlog een van de leiders van het studentenverzet in Nijmegen. Zijn zus Aimée (101) noemt hem 'een jongen met gezag. Een rustige, gezellige, zeer beminde figuur.' Jozef moest zijn verzetswerk met de dood bekopen; op 25-jarige leeftijd stierf hij in concentratiekamp Neuengamme. Portret van een bescheiden rechtenstudent.

27 maart 1944: Jozef van Hövell van Wezeveld en Westerflier loopt met grote passen door de straten van Den Haag. De 25-jarige rechtenstudent gaat nietsvermoedend het huis binnen van zijn voormalig studiegenoot Frans von Fisenne in Den Haag. In het gezelschap van een paar goede vrienden, en vriendinnen, hoopt hij de dagelijkse last van een ondergronds bestaan even te kunnen vergeten met een spelletje bridge.

Maar die dag worden er geen kaarten gelegd. Achter de voordeur staan Duitse officiers die iedereen arresteren die een stap over de drempel zet. Met Van Hövell hebben de Duitse bezetters een leider in het Nederlandse verzet te pakken. Vanaf die dag leeft Van Hövell in gevangenschap – tot hij in januari 1945 sterft van uitputting in het Duitse concentratiekamp Neuengamme.

Elkaar wat gunnen

25 jaar eerder wordt Jozef geboren als zesde van tien kinderen. Zijn vader is Eduard van Hövell, de gouverneur van Limburg, en Jozef brengt de eerste zestien jaar van zijn jeugd daarom door in het gouvernementsgebouw van Maastricht. ‘Dat was heerlijk’, zegt Aimée van Hövell over die tijd. De 101-jarige zus van Jozef leeft nog en woont al sinds 1948 in Amsterdam. ‘De jongens konden fantastisch spelen door de lange gangen van dat gebouw en de grote ouderwetse stadstuin.’

Het oude gouvernementsgebouw aan de Bouillonstraat in Maastricht: hier is Jozef in 1919 geboren. Foto: Privé-archief Aimée van Hövell

Tijdens de jonge puberjaren van Jozef maakt de residentie van de gouverneur plaats voor een nieuw gebouw. Aimée van Hövell herinnert zich nog het verhaal dat Jozef met wat vrienden en zijn oudere broers de steigers opklommen. Hij hield als kind al van het uithalen van een stunt en was niet snel bang te krijgen.

In 1936, als Jozef zeventien is, overlijdt zijn vader. Moeder en tien kinderen moeten op zoek naar een nieuw onderkomen en vinden dat in Huis de Torentjes aan de voet van de Sint-Pietersberg (waar tegenwoordig muzikant André Rieu woont). Jozef en zijn broers en zussen wonen dan wel in een statig huis met trapgevel, en behoren tot een adellijk geslacht, ze leven eerder een sober dan een luxe bestaan.

‘Wij hadden het helemaal niet breed’, zegt Aimée van Hövell. Bovendien kenmerkte de katholieke opvoeding zich door lessen in bescheidenheid en vrijgevigheid – verwennerij viel daar niet onder. ‘We moesten elkaar wat gunnen.’

Jozef (vooraan) met broers op het nieuwe Gouvernementsgebouw in Maastricht. Foto: Privé-archief Aimée van Hövell

Na enkele moeizame jaren na de dood van zijn vader – Jozef moet een klas overdoen op het gymnasium – staat hij na zijn eindexamen voor het besluit direct te gaan studeren of eerst zijn Nederlandse militaire dienstplicht bij de luchtvaart te vervullen. Hij kiest voor het laatste, een korte maar zware opleiding. Hij vindt dat wel een spannend vooruitzicht. In 1939 meldt hij zich in Rotterdam bij de luchtmacht. Mooi meegenomen is dat er daar voor zijn onderhoud wordt betaald.

Op 14 mei 1940 ziet hij de bommen vallen in Rotterdam. Vanuit de Wilhelminakerk, waar hij ingekwartierd ligt, schrijft hij aan zijn zus Aimée hoe vreselijk de aanblik is van de verwoeste stad: “Te erg om allemaal op papier te zetten; en al die gewonden en verminkte lijken.”

Het bombardement dwingt Nederland op de knieën. Duitsland besluit het Nederlandse leger te ontmantelen – Jozefs dienstplicht is ten einde. Jozef is genoodzaakt nieuwe plannen te maken: in september gaat hij daarom op kamers, aan de Batavierenweg in Nijmegen, om rechten te studeren aan de universiteit waarvan zijn eigen vader nog mede-oprichter was.

 Studeren in oorlogstijd

Bij de inval van de Duitsers in 1940 komen twee Nijmeegse studenten en drie alumni om bij de Slag om de Grebbeberg. Als Jozef aan zijn studie in Nijmegen begint, is het opgewaaide stof van het begin van de oorlog wat gaan liggen. Het leven gaat door – zo ook de colleges op de Katholieke Universiteit Nijmegen.

Jozef komt in een kleine universiteitsgemeenschap terecht, die in weinig te vergelijken is met die van vandaag. Er zijn drie faculteiten en zo’n vijfhonderd studenten die soms wel twee keer zo lang studeren als wat tegenwoordig normaal is. Bijna iedereen is lid van het corps en onder hoogleraren, studenten en moderators (een soort studentenpastores) heerst een ons-kent-ons-cultuur. Vrijwel alle studenten zijn katholiek.

Het bestuur van H.O.E.K. met Jozef rechts als quaestor. Foto: Archief H.O.E.K.

Jozef sluit zich aan bij Dispuutgezelschap H.O.E.K. Anno 2018 heeft dat dispuut een eigen huis aan de Berg en Dalseweg. ‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden we nog geen eigen pand’, zegt Koen Verdenius, de huidige praeses van de vereniging in de gezamenlijke dispuutskamer. ‘Jozef is hier dus nooit binnen geweest. Wel heeft hij ons vaandel waarschijnlijk in handen gehad. Aan onze oude tafel heeft hij vast en zeker ook weleens gezeten.’

De Tweede Wereldoorlog was een zware tijd voor het Nijmeegse studentenleven. ‘Ook voor H.O.E.K.’, zegt Verdenius. ‘Dat zie je terug in ons archief. We hebben uit die tijd niet zoveel.’ Samen met dispuutsgenoot Daan Bossers heeft hij een stapeltje oude foto’s uit het archief boven water gehaald. Op een stuk of tien staat ook Jozef van Hövell. De meeste zijn gemaakt tijdens plechtigheden zoals buluitreikingen – de jonge heren dragen rokkostuums of andere formele kledij. ‘Dit is mijn favoriet’, zegt Bossers. ‘De foto van het bestuur, met Van Hövell als quaestor. Hier is hij 23 jaar.’

Op de foto die Bossers aanwijst, is Jozef praeses van Carolus Magnus, de moedervereniging van H.O.E.K., die in 1942 door de bezetter verboden is. Carolus Magnus weigerde een bordje op de sociëteit te hangen met ‘verboden voor joden’.

Dat Jozef praeses wordt van Carolus Magnus moet geen verrassing geweest zijn voor zijn omgeving. Zus Aimée: ‘Hij was een jongen met gezag. Een rustige, gezellige, zeer beminde figuur. Dat gezag zat hem in de genen.’ Ook bij de meisjes van zijn leeftijd was Jozef – sterk, groot postuur – populair. ‘Die vonden hem allemaal enig en gezellig.’

Studentenmoderator Bernard van Ogtrop zal later over Jozef schrijven dat hij “met hoofd en schouders” boven de andere studenten uitsteekt. Hij doelt zowel op zijn fysieke verschijning als zijn uitstraling. “Door zijn evenwichtigheid, zijn bezonnen oordeel, zijn rijpheid, zijn edele gevoelens jegens zijn medemenschen.”

Jozef loopt vaak op klompen door de stad. ‘“Daar hebben we de baron op klompen”, zeiden ze dan.’ Volgens Aimée van Hövell liet Jozef zich absoluut niet voorstaan op zijn achtergrond en wilde hij dat op die manier benadrukken. ‘Het liefst liet hij zich Jos noemen: Jos van Hövell. Van al die extra achternamen moest hij niet zoveel hebben. En van zijn adellijke titel al helemaal niet.’ Hoewel ‘Jos’ overtuigd katholiek is, gaat hij ook om met communisten en lijkt hij tot op zekere hoogte sympathieën te hebben voor hun opvattingen.

Tijdens een inauguratie bij H.O.E.K. in 1942. Met Jozef zittend, derde van rechts. Foto: Archief H.O.E.K.

In het verzet

Als de bezetter in 1943 van universiteiten eist dat zij hun studenten een zogenoemde loyaliteitsverklaring voorleggen, komt Jozef in actie. Met het tekenen van dat document beloven studenten de bezetter niet te dwarsbomen. Dat moet koste wat kost voorkomen worden, vindt Jozef.

Hij is een van de studenten die een campagne op touw zetten om zo veel mogelijk mensen niet te laten tekenen. Hij had al de nodige ervaring met het voeren van acties zoals deze; een jaar eerder richtte Jozef samen met studenten van andere universiteitssteden de verzetsorganisatie Raad van Negen op. Bovendien is hij actief in het Nationaal Comité van Verzet, dat landelijke verzetsacties coördineert. Op allerlei manieren probeert die organisatie de Nederlandse bevolking in verzet te krijgen, bijvoorbeeld door het illegaal laten drukken van miljoenen flyers in de drukkerij van Philips.

De rector in Nijmegen, Bernard Hermesdorf, toont zich solidair met zijn studenten, die grotendeels negatief staan tegenover het tekenen van de loyaliteitsverklaring. Samen met zijn medebestuurders weigert hij de verklaring voor te leggen, waarmee hij het lot van de universiteit praktisch verzegelt. De deur van de universiteit gaat op slot.

Hoewel dat besluit ‘getuigt van een morele zuiverheid die zijn weerga niet kent’ (dixit universiteitshistoricus Jan Brabers), is de consequentie voor studenten dat zij voor een zwaarwegend dilemma staan. Omdat ze niet meer studeren moeten ze óf zich melden voor de Arbeitseinsatz, de Duitse oorlogsindustrie, óf onderduiken.

Kunnen studenten zich in de eerste jaren van de oorlog nog afzijdig houden, vanaf 1943 is dat niet meer mogelijk. Ze worden gedwongen een persoonlijk standpunt in te nemen, met alle gevolgen van dien.

Voor Jozef is de keuze snel gemaakt. Hij kan zich, na de sluiting van de universiteit, volledig richten op zijn verzetswerk. Hij gaat ondergronds. Sindsdien is hij vaker onderweg dan thuis in Nijmegen. Zijn imago als verzetsstrijder groeit, net als de risico’s die verbonden zijn aan het verzetswerk.

Kort na de sluiting van de universiteit wordt Jozef nog eens met zijn neus op de risico’s gedrukt. In april 1943 vinden er grote stakingen plaats in het land, zo ook in Nijmegen. Nijmeegse verzetslieden grijpen de stakingen aan om hun acties op te schroeven. Een van hen is Toon Fredericks, met wie Jozef regelmatig samenkomt op zijn kamer aan de Lange Burchtstraat. Fredericks deelt stakingspamfletten uit onder spoorwegpersoneel, maar wordt opgepakt. Samen met twee andere Nijmegenaren wordt hij standrechtelijk geëxecuteerd. Zijn lichaam wordt nooit meer teruggevonden.

Jozef gaat echter door met zijn ondergrondse bestaan. Tot 27 maart 1944, de dag dat hij wordt uitgenodigd voor een potje bridge, bij zijn goede vriend en oud-dispuutsgenoot Frans von Fisenne.

Gesmokkelde brieven

Een paar weken na de arrestatie van haar broer reist Aimée van Hövell, samen met een zus van Frans von Fisenne, naar het hoofd van de Sicherheitsdienst op het Binnenhof in Den Haag. Ze is doodsbang, maar gaat toch in de hoop Jozef te kunnen bezoeken en een oude schoenendoos met wat zeep, tandpasta en chocola aan hem te geven. Ze krijgt Jozef niet te zien maar achteraf blijkt hij wel de doos ontvangen te hebben. In een naar buiten gesmokkelde brief van 3 mei 1944 bedankt Jozef haar daarvoor. Verder schrijft hij vanuit de gevangenis in Scheveningen:

“Eerste week niet erg op mijn gemak, nu geheel en al gewend. Maak nu geen zorg voor verhoor. Zit alleen in over de anderen wegens de gevonden papieren. Eten is voldoende; verzorging behoorlijk. Ik word niet gelucht. Weet dus niet of de bomen al bloeien.”

En verderop in de brief:

“Mijn gezondheid is puik. Moreel nog beter. Ik blijf trouw aan ’t devies van deze cel: ‘Er zit geen gajes in deze bajes, maar Hollands glorie, potverdorie!’ Allen gegroet. Hopelijk tot een volgende keer. Ik denk veel aan thuis en aan mijn NC (Nijmeegs Corps, red.) vrienden. Houdt moed. Maintiendrai!”

De strafgevangenis in Scheveningen. Foto: Nationaal Archief

Na zo’n drie maanden in de Scheveningse gevangenis wordt Jozef overgeplaatst naar Kamp Vught. Vanuit daar schrijft hij nog een korte brief, gericht aan zijn moeder, waarin hij weer bedankt voor ontvangen pakketjes en informeert naar de toestand in Maastricht, de stad die op het punt staat bevrijd te worden. Over zijn gemoedstoestand zegt hij weinig, behalve: ‘Hier alles best.’

Daarna wordt het stil – er volgen geen brieven meer. Jozef wordt in september 1944 op transport gezet naar Duitsland. Via concentratiekamp Sachsenhausen, vlakbij Berlijn, komt hij terecht in Neuengamme. Dat grote werkkamp, nabij Hamburg, is het middelpunt in een netwerk van kleinere kampen. Jozef wordt naar zo’n satellietkamp gebracht in Meppen, om antitankloopgraven te graven. Dat kamp ligt op minder dan vijftien kilometer van de Nederlandse grens.

Onder het zware regime van het werkkamp ontmoet hij Henk Nielen, een jongen die werkte als bewaarder in een opvoedingshuis, maar betrapt werd op het bezitten van een radio. Samen belanden de jongemannen uitgeput in de ziekenbarakken. Op Nieuwjaarsdag 1945 worden ze met de trein, op elkaar gepakt in een veewagon, teruggestuurd naar Neuengamme.

Op 4 januari zakt Jozef in elkaar. Nielen is niet meer in staat hem te dragen. Jozef is dan op sterven na dood en wordt in een kribbe gelegd. “Hij is slapende weggegaan”, schrijft Nielen een jaar na de oorlog aan Jozefs moeder. “Als uw misschien een klein portretje van hem heb zou ik dat zeer op prijs stellen (sic).”

Het leven gaat verder

Jozefs dood is een schok voor zijn familie. Toch wordt er, in de jaren daarna, weinig over het verdriet gesproken. Waarom? ‘Tja… Dat deed je toen niet. Hij was een van de velen’, verzucht zus Aimée van Hövell. De familie is er wel bij als Koningin Wilhelmina op de Amsterdamse Dam aan Jozef postuum het Verzetskruis toekent. Hij is een van de slechts 95 verzetslieden die op die manier geëerd worden.

De rouwkaart van het Nijmeegs Studenten Corps

Daarna gaat het leven verder. Aimée van Hövell stort zich op haar werk. Pas in de zomer van 2003, als de oorlog bijna zestig jaar voorbij is, komt ze ertoe samen met haar jongste zus Cécile een bezoek te brengen aan het voormalige concentratiekamp in Neuengamme. ‘Uiteindelijk wilde ik wel weten hoe het daar was. We zijn er goed ontvangen. Het was heel imponerend.’

De kleine Nijmeegse universiteitsgemeenschap staat in het laatste oorlogsjaar op haar eigen manier stil bij de dood van Jozef. Het Nijmeegs Studenten Corps kondigt “één week zware en twee weken lichte rouw” af en draagt een mis op aan Jozef. Rechtenstudent Majel Custers volgt hem op als praeses van Carolus Magnus. Op 29 mei 1945 licht hij de leden van de vereniging in over de dood van zijn voorganger:

Na maandenlange onzekerheid, waarin hoop en vrees elkander afwisselende, heeft ons thans het ontstellende bericht bereikt, dat Jos van Hövell aan de vrijheid ten offer is gevallen in een Duitsch concentratiekamp. God heeft zijn heldhaftige strijd met de hoogste zegepalm bekroond. Onze praeses zal niet meer in ons midden terugkeeren. Zwaarder verlies heeft het Nijmeegsch Studentencorps welhaast nimmer getroffen. Niemand uwer zal verwachten dat ik hier weggeef, welke onze diepste gedachten zijn.”

Over het moment dat Jozef praeses van de vereniging werd, zegt Custers:

“Onder wel zeer moeilijke omstandigheden aanvaardde hij (Jozef, red.) in juni 1942 het praesidiaat van Carolus Magnus. Dit was allerminst een sinecure. Het Corpsgebouw was inmiddels door de bezettende macht gesloten en aan Jos was de zware taak het Corpsleven binnenskamers te leiden. Hier toonde zich zijn karakter in volle waarde: rustige, overwichtige leiding paarde zich een onweerstaanbaar élan en taaie verzetsgeest.

In de Aula aan de Comeniuslaan hangt een gedenksteen met de namen van 47 studenten, alumni en docenten van de universiteit die slachtoffer werden van de oorlog. Naast de naam van Jozef van Hövell zijn daar de namen te lezen van andere bekende slachtoffers zoals professor Titus Brandsma, student Jan van Hoof en moderator Robert Regout. In totaal overleefden 2.200 Nijmegenaren de oorlog niet. Foto: Dick van Aalst

Verantwoording: Voor dit verhaal is rijkelijk geput uit gesprekken met Aimée van Hövell en Lennert Savenije, alsmede uit geschreven werk van Bart Janssen (De pijn die blijft, deel II, verwacht verschijningsjaar 2019), Lennert Savenije (Nijmegen, collaboratie en verzet, 2018) en Jan Brabers (artikel Studeren in bezet Nijmegen, uitgegeven in een speciale uitgave van Vox, mei 2018). Brieven en afscheidsredes zijn beschikbaar gesteld door Aimée van Hövell. Dit verhaal is geschreven door Mathijs Noij. Leoni Andriessen maakte de video’s.

Speciale dank gaat uit naar Aimée van Hövell, Hanneke van Seggelen, Lennert Savenije en dispuutgezelschap H.O.E.K. Zonder hen had deze productie niet tot stand kunnen komen.

9 reacties

  1. Gerard Brom schreef op 3 mei 2018 om 14:12

    “Jozef sluit zich aan bij Dispuutgezelschap H.O.E.K. Anno 2018 heeft dat dispuut een eigen huis aan de Berg en Dalseweg.” Dat is precies wat die deftige heertjes sinds 1925 het publiek zouden willen doen geloven, maar feitelijk onjuist. Het betreffende pand (feitelijk maar één kant van een twee-onder-één-kapper) is eigendom van de SSH&.

    • Menno Janting schreef op 3 mei 2018 om 14:43

      Fijn dat je de essentie van dit verhaal er piekfijn uitpikt.

    • Marc-Jan schreef op 5 mei 2018 om 00:37

      Het zal Aimée van Hövell vast en zeker goed doen dat de huidige generatie de uiterst relevante boodschap van verzet en standvastigheid in tijden van onrecht weet te lezen in het (te korte) levensverhaal van haar broer Jozef. En hopelijk wil doorgeven. Een enkeling daargelaten…

  2. Martijn schreef op 3 mei 2018 om 14:32

    Sinds 1925, meneer Brom? Want toen bestond de SSH& reeds en hadden zodoende al veel Nijmeegs vastgoed in beheer?

  3. Daniel schreef op 4 mei 2018 om 10:09

    Fijn Gerard, je voelt haarscherp aan waar deze reportage over gaat.

  4. R.W. schreef op 4 mei 2018 om 13:20

    Een bijzondere man in de geschiedenis van onze universiteit. Zou het niet mooi zijn als een van de nieuwe gebouwen op de RU zijn naam zou gaan dragen? Ik zou het college van bestuur graag willen oproepen hier over na te denken.

    • Erwin schreef op 4 mei 2018 om 14:50

      Goed idee!

    • Vincent schreef op 8 mei 2018 om 16:26

      Sluit ik mij graag bij aan. Goed idee RW!

    • Maria Karmel schreef op 17 mei 2018 om 23:10

      Dan toch eerder een gebouw noemen naar Titus Brandsma hoor. Zat óók in het verzet. Charismatisch en inspirerend. Wetenschapper bovendien (zoals Spinoza, Montessori, Ostrom e.d.).

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een dagelijkse of wekelijkse nieuwsbrief met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands