Open access week: komt het nog goed?

20-10-2015, 00:00

Gerard Meijer trok maandagmiddag fel van leer tijdens de opening van de open access week. Wat is nu precies het probleem, en is er een oplossing? Een reconstructie van een patstelling die al maanden duurt.

Gerard Meijer at Open Access lecture
Gerard Meijer vanmiddag, tijdens de opening van de mondiale open access week. Foto: Marieke van der Leest, Radboud Reflects

‘Elsevier vertraagt de onderhandelingen’, aldus collegevoorzitter Gerard Meijer gistermiddag. ‘Ze willen zo lang mogelijk, zo veel mogelijk winst maken voor hun aandeelhouders. Maar open access publiceren is de toekomst. Het is niet de vraag of het er komt, maar wanneer.’ De felle bewoordingen – terwijl Elsevier nota bene ook in de zaal zat – geven aan hoe moeizaam de onderhandelingen gaan.

Kassa
De academische gemeenschap heeft meer en meer moeite met het huidige systeem. Dat systeem werkt als volgt: een wetenschapper – die met publiek geld betaald wordt – doet onderzoek en schrijft daar één of meerdere artikelen over. Deze worden gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften die worden uitgegeven door commerciële organisaties, zoals Elsevier. Om toegang te krijgen tot het artikel moet een lezer het artikel kopen of een abonnement afsluiten. Hierdoor betaalt de lezer eigenlijk dubbel. Eén keer via de belasting en dan nog een keer wanneer diegene het artikel koopt.

Oneerlijk, zo vinden de kennisinstellingen. Je betaalt ook niet om een ritje te maken in de Python als je ook al entree hebt betaald voor de Efteling. Daarom voerde universiteitenvereniging VSNU de strijd op. Uitgevers kunnen meer doen om open access te publiceren. Immers, het werk wordt al gedaan door de wetenschappers. Zij doen het onderzoek, zij zijn verantwoordelijk voor de peer reviews en zitten soms ook nog in de redactie van wetenschappelijke tijdschriften. En dit allemaal zonder enige vergoeding van de uitgevers. Ondertussen gingen de prijzen van de uitgevers voor de abonnementen de laatste jaren gestaag omhoog. Dat moest anders. Gerard Meijer werd door de VSNU aangewezen als hoofdonderhandelaar met Elsevier.

Uitgeverij Springer was de eerste die toegaf en beloofde eind 2014 de stap naar open access te maken. Maar Elsevier, die verreweg de meeste en de meest prestigieuze titels onder haar hoede heeft, hapte minder snel. In juli 2014 begonnen de big deal-onderhandelingen met deze uitgever. De inzet van de VSNU was dezelfde: alle wetenschappelijke artikelen open access publiceren. In november 2014 bleken de onderhandelingen op niets uit te lopen. De partijen trokken zich terug om zich te herpakken.

Open Access

All in 
In januari van dit jaar gooide Gerard Meijer zijn kaarten op tafel. ‘Als Elsevier niet méér toegeeft, dan starten we voor de zomer de boycot,’ liet hij in de NRC weten. Het spel dat de VSNU en Elsevier speelden, werd niet langer gespeeld in een donkere, rokerige kamer. Opeens stonden de hoofdrolspelers middenin de publieke arena. En daar wordt een heel ander spel gespeeld, zo bleek al gauw.

Want het ging niet meer om een paar partijen die om de tafel zaten. Nu ging het ook om wetenschappers die zich eindelijk gesteund voelden in hun onmacht tegen de groeiende kosten van de abonnementen, terwijl zij zagen hoe hun bibliotheken steeds meer moeite had om de organisatie financieel gezond te houden.

Zij kregen van Gerard Meijer een stok om mee te slaan, toen hij in hetzelfde artikel van NRC een drietrapsraket aankondigde. ‘Eerst gaan we onze topwetenschappers die in adviesraden of redacties van een Elseviertijdschrift zitten, individueel benaderen met het verzoek die functie neer te leggen. Daarna vragen we onderzoekers te overwegen om te stoppen met reviewen voor Elseviertijdschriften, en vervolgens vragen we ze ook geen onderzoek meer te publiceren in die tijdschriften.’

Call
In juni 2015 benaderden de universiteiten haar medewerkers die editor waren bij Elsevier met de vraag of zij inderdaad bereid waren om hun werkzaamheden bij een wetenschappelijk tijdschrift van Elsevier neer te leggen. De meningen waren verdeeld. ‘De bereidheid is er in meer en mindere mate,’ vatte Bastiaan Verweij, woordvoerder van de VSNU, toen samen.

Philippe Terheggen, managing director STM Journals van Elsevier, hoort weinig van editors die hun tijdschrift willen verlaten. ‘Ik zie juist een grote betrokkenheid bij hun tijdschriften. Ze vinden het vervelend dat zij zo tussen de universiteiten en Elsevier in komen te staan. Ze krijgen daardoor het gevoel te moeten kiezen voor één van de partijen. Dat vind ik geen goede zaak.’

Terheggen wil, voor hij verder praat, één misverstand uit de wereld helpen: ‘In de media lijkt het  net alsof Elsevier tegen open access is, dat is absoluut niet waar. Wij bieden een breed scala aan Open Access publicatiemogelijkheden en zijn zelfs een van de grootste Open Access uitgevers. De VSNU en Elsevier zijn samen op zoek naar de juiste manier om een transitie naar Open Access mogelijk te maken.’

‘Het klinkt allemaal heel gemakkelijk, die transitie naar open access, maar zo is het in de praktijk niet. Ten eerste is het zo dat niet ieder land de voorkeur geeft aan open access. Daarnaast betekent het publiceren met open access ook dat er meer digitale ondersteuning moet komen en het levert ook vragen op. Want als nu alles open access wordt, betekent dit dat de Nederlandse belastingbetaler toegang heeft tot alle wetenschappelijke artikelen, maar ook andere landen kunnen gratis de Nederlandse artikelen zien. De Nederlanders hebben op hun beurt niet zonder meer toegang tot de artikelen van buitenlandse wetenschappers.’

Financiële impuls
ElsevierVolgens Terheggen wil Nederland koploper zijn op het gebied van open access, zonder ervoor te betalen. ‘Het Verenigd Koninkrijk wilde ook volledig open access publiceren. De overheid heeft daar een flinke financiële impuls gegeven om dit mogelijk te maken. Nederland is niet bereid dat te doen en dat is niet logisch. Wie voorop wil lopen, zal daar ook in moeten investeren.’

In 2013 was de winstmarge van Elsevier 39 procent. Ondertussen blijven de universiteitsbibliotheken maar snijden in hun budgetten. Snapt Elsevier hoe zuur dat is voor wetenschappers die artikelen in tijdschriften publiceren die hun eigen collega’s niet eens kunnen lezen? ‘Laten we het even in perspectief plaatsen,’ antwoordt Terheggen. ‘Het budget van universiteiten bestaat meestal voor 1 procent uit abonnementen. Natuurlijk vind ik het erg dat de budgetten slinken, maar om de schuld in onze schoenen te schuiven, is onterecht.’

Onmisbaar
Terheggen benadrukt het belang van Elsevier voor de academische gemeenschap. ‘We bieden meer dan een tijdschrift om in te publiceren. Elsevier is nummer 1, dan praat je niet alleen over de grootte, maar ook over de kwaliteit. In de wereld zijn artikelen die het verschil maken en daarvan publiceren wij 28 procent. Dat is veel hoger dan ons marktaandeel. Die positie hebben we te danken aan onze editors, het vertrouwen van onze auteurs en het geweldige werk van de reviewers. Van onze artikelen is het citatie-aandeel veel hoger dan bij de andere uitgevers. Daar hebben Nederlandse wetenschappers baat bij.’

Maar als Nederlandse universiteiten (en daarmee de wetenschappers) besluiten dat ze Elsevier gaan boycotten, wat gebeurt er dan? ‘Daar ga ik nog niet eens over speculeren,’ antwoordt Terheggen resoluut. ‘Ik ben ervan overtuigd dat we hier uit gaan komen.’

Zomerstop
Tijdens de zomer was er even een korte adempauze voor de VSNU en Elsevier. Maar in het najaar werden de mouwen weer opgestroopt. Ondertussen blijft de tijd doortikken en nadert 1 januari 2016 snel. Als de partijen voor die tijd niet tot een overeenkomst komen, zullen Nederlandse universiteiten geen toegang meer hebben tot Elseviertijdschriften. ‘Ik trek graag op met de uitgeverijen, maar als dat niet lukt dan zijn we bereid om het zonder hen te doen’, zei Meijer maandagmiddag tijdens het debat.

Dat zal een flinke impact hebben op de Nijmeegse wetenschappers. Uit de raadpleegcijfers van de UB van de Radboud Universiteit van 2014 blijkt dat Elseviertijdschriften verreweg het meest geraadpleegd worden. Grote paniek hoeft er volgens Meijer niet uit te breken. ‘Als de onderhandelingen niet op tijd afgehandeld zijn, hebben we flink wat geld over. Het is natuurlijk vervelend voor wetenschappers als zij geen toegang meer hebben tot de wetenschappelijke artikelen van Elsevier, maar het is niet onoverkomelijk.’ / Jolene Meijerink 

 

Meer lezen over open access? Bekijk dan ons dossier.

2 reacties

  1. Jan Brelle schreef op 27 oktober 2015 om 09:21

    Dat de wetenschappers niet meer bij de artikelen zouden kunnen is onzin. Ze kunnen ze altijd aanschaffen via pay-per-view. Trinity University in San Antonio, Texas, heeft alle abonnementen opgezegd en van het geld dat vrij kwam mogen de wetenschappers alle artikelen kopen die ze nodig hebben. Die universiteit heeft daarmee een groot deel van het literatuurbudget bespaard. Zie bijv. http://digitalcommons.trinity.edu/lib_faculty/14/

  2. Dirk van Gorp schreef op 27 oktober 2015 om 11:44

    Leuk verslag van de strijd tussen de universiteiten en Elsevier, doch wat betreft een aantal punten slaat het de plank mis. In de eerste plaats is het niet de belasting waardoor wetenschappers dubbel betalen. Het gaat om het feit dat univeriteiten relatief hoge (en continue stijgende) abonnementskosten van uitgeverijen moeten betalen om toegang te krijgen tot tijdschriften. In het filmpje dat getoond werd tijdens het debat werden inderdaad individuele kosten per artikel getoond, maar dat ging over een wetenschapper die niet op zijn universiteit-netwerk zat, en dus geen gebruik kon maken van het abonnement van de universiteit. De ‘dubbele’ kosten refereren naar de ‘double dipping’ praktijken van bepaalde uitgevers, waaronder Elsevier. Voor verdere uitleg, zie beneden.
    Ten tweede klopt er iets niet aan de redenering van Terheggen dat Nederlandse universiteiten niet (genoeg) willen betalen om koploper te zijn op het gebied van open access. Nederlandse universiteiten willen wel degelijk betalen, maar niet heel veel meer dan de miljoenen die ze nu al aan uitgevers moeten betalen. Om dit uit te leggen moeten we even terug naar het begrip zelf. Open access betekent dat wetenschappers (en eigenlijk iedereen, maar de doelgroep is voornamelijk wetenschappers) vrij (gratis en overal online beschikbaar), toegang moeten krijgen tot de wetenschappelijke publicaties geschreven door wetenschappers werkzaam bij instituten en universiteiten. Deze wetenschappers worden betaald door de universiteiten, zodoende door de overheid en dus met publiek geld.
    In het traditionele systeem leverden wetenschappelijke auteurs hun werk af bij een uitgever, die dit vervolgens omzette in boek/tijdschrift vorm, en dit wereldwijd verspreidde over universiteiten, instituten en personen die dit kunnen en willen betalen. Het oude systeem is niet ideaal. Immers, de toegang tot zo’n tijdschrift/boek is beperkt: alleen mensen die het zelf willen/kunnen betalen kunnen erbij, of ze moeten zelf naar een bibliotheek of universiteit waar het boek/tijdschrift wel te vinden is. Dit is met name storend voor minder vermogende landen en universiteiten, niet in de laatste plaats omdat uitgeverijen door de ‘rijkere’ doelgroep vaker kiezen voor Noord-Europees of VS georiënteerde onderzoeken.
    Belangrijk bij wetenschappelijke publicaties is het controleren van de kwaliteit van het artikel (of het boek). Hiervoor hebben tijdschriften een redactie bestaande uit mensen actief in het vakgebied waar het tijdschrift over gaat. Zij controleren of het artikel past bij het tijdschrift, en wijzen vaak een ‘peer reviewer’ aan die het artikel vervolgens controleert op inhoud. De Diederik Stapel-affaire heeft ons eraan herinnerd hoe belangrijk deze kwaliteitscontrole is. Echter, deze redactieleden en reviewers zijn vrijwel altijd (zo niet altijd) eveneens wetenschappers. Zij worden meestal niet betaald door de uitgever; wederom, de kosten voor hun arbeid wordt vaak betaald door de universiteiten, en zodoende dus door de overheid. Voor een wetenschapper staat het deelnemen als reviewer of het lid zijn van een redactieraad van een gerenommeerd tijdschrift goed op het CV en dus zijn veel wetenschappers bereid om dit kosteloos op zich te nemen.
    Het oude systeem van publiceren staat nu op de tocht door de vele mogelijkheden die internet ons bieden. Gedrukte versies zijn niet meer noodzakelijk, waardoor de functie van de uitgever als maker en verspreider van gedrukt materiaal langzaam wegvalt. Dat wil niet zeggen dat een uitgever geen functie meer heeft. Integendeel, uitgevers hebben nog altijd een belangrijke (misschien zelfs cruciale) plek in de publicatie-wereld van de toekomst. Immers, platformen (websites, opslag van materiaal, etc.) moeten nog altijd worden aangeboden en onderhouden, marketing en communicatie blijft even belangrijk in het digitale tijdperk, en de kwaliteitscontrole van peer review – een cruciaal aspect van academisch publiceren, en vaak gecoördineerd door een uitgever (doch dat hoeft niet) – zal altijd blijven bestaan. Het is dan ook een misverstand om te denken dat open access voorstanders tegen uitgevers zijn. Zoals de woordvoerder van Elsevier in het stuk hierboven al vermeldde, zij geven wel degelijk ‘open access’ tijdschriften uit, net als veel andere grote en commerciële uitgeverijen. Sterker nog, veel volledig open access tijdschriften werken gewoon met uitgevers. Het is eveneens een misverstand dat de open access beweging publiceren geheel gratis wil maken. Het verwerken van artikelen tot een goed leesbaar en opzoekbaar eindresultaat, het aanbieden en onderhouden van een publicatieplatform en het organiseren en coördineren van peer review kosten tijd en geld, en daar moet gewoon voor betaald worden. Veel volledig open access uitgevers werken daarom met Article Processing Charges (APCs), een eenmalig bedrag wat een wetenschapper voor publicatie betaald, waarna een artikel gratis online beschikbaar wordt voor iedereen.
    Waar het mis gaat tussen de traditionele uitgeverijen en wetenschappers die achter de open access beweging staan is niet dat de ene wil dat er geld betaald wordt tijdschriften, terwijl de ander alles gratis wil maken. Wetenschappers weten heel goed dat publiceren geld kost, ook online. Waar het mis gaat is dat bepaalde grote uitgeverijen, met Elsevier voorop begrijpelijkerwijs niet de grote winsten willen opgeven die het traditionele publicatiemodel hen momenteel oplevert. Inderdaad, Elsevier biedt, net als andere uitgeverijen, waaronder Springer, een open access optie aan voor veel tijdschriften, zoals hierboven al wordt gezegd. Wat mr. Terhegge er vervolgens niet bij verteld is dat deze tijdschriften ‘hybride’ open access zijn; dat wil zeggen dat ze enerzijds de traditionele abonnementbedragen ontvangen van universiteiten (voor de artikelen die niet open access zijn, zoals oudere artikelen, of nieuwe artikelen waarvoor geen APCs zijn betaald), terwijl tegelijkertijd wetenschappers van diezelfde universiteiten extra moeten betalen om een artikel in open access te publiceren (waardoor dat artikel wel door iedereen gratis gelezen kan worden). En het gaat hierbij niet om kleine bedragen. Per artikel moet een wetenschapper gemiddeld genomen ca. $ 3000 betalen. Dat levert gigantische extra inkomsten op.
    Waar andere uitgevers proberen samen te werken met de universiteiten (zoals Springer, die een deal heeft gesloten dat universiteiten die abonnementen betalen niet extra hoeven te betalen voor open access), weigert Elsevier dat vooralsnog. Nogmaals, dit is niet onbegrijpelijk. Elsevier is een commercieel bedrijf dat het recht heeft om haar inkomsten te beschermen. Waar het wringt is dat dit ten koste gaat van de financiële middelen van universiteiten, die weer betaald worden met publiek geld vanuit de overheid (let wel, waar Terhegge spreekt over ‘slechts’ 1 procent gaat het nog steeds om miljoenen aan belastinggeld, niet een paar duizend euro).
    Terhegge heeft inderdaad gelijk dat de transitie naar open access niet eenvoudig is. Er zijn nog veel problemen die overwonnen moeten worden en de bestaande modellen of initiatieven zijn niet altijd even praktisch, makkelijk te implementeren, of dragen weer andere problemen met zich mee. Dat gezegd hebbende, er zijn al veel stappen genomen en veel wetenschappers zijn inmiddels overtuigd van de meerwaarde van open access. Immers, het gaat hen om het uitvoeren van goed onderzoek, dat zo snel mogelijk gedeeld moet kunnen worden met hun collega’s in andere universiteiten, landen, en werelddelen. Hele overheden, zoals in het Verenigd Koninkrijk, maar ook Staatssecretaris Dekker, zijn inmiddels bezig (of zijn al klaar) met het invoeren van pro-open access wetgeving. Maar veel wetenschappers zijn ook terughoudend om de open access stap te maken, omdat de traditionele uitgeverijen nog veel troeven in handen hebben. Een zeer belangrijke troef is dat bestaande tijdschrift, vaak in handen van traditionele uitgeverijen, al zo lang bestaan dat ze inmiddels hoog worden gewaardeerd door collega’s in het vakgebied. In zo’n tijdschrift publiceren is een teken dat je artikel door de beste mensen in je eigen veld goed wordt gewaardeerd, en dus willen wetenschappers het liefste in zo’n tijdschrift publiceren, in plaats van in een nog wat onbekender tijdschrift waarvan nog niet echt duidelijk is of de kwaliteit wel even goed is. Een nieuw tijdschrift moet eerst zichzelf bewijzen voordat een wetenschapper echt bereid is om erin te publiceren. Als de gevestigde uitgeverijen, zoals Elsevier, bereid zouden zijn om die ‘high impact journals’ open access beschikbaar te maken, dan zou bovenstaande strijd niet gevoerd hoeven worden. De uitgeverijen zouden dan hun inkomsten (de APCs) ontvangen voor het bewerken van een artikel, het plaatsen ervan op een platform, het onderhouden van dat platform, en eventueel het coördineren van peer review (doch dat zouden de redacteuren ook zelf kunnen doen, al dan niet me assistentie van de universiteitsbibliotheken). Deze APCs zouden in veel gevallen alsnog lager moeten worden; $ 3000 gemiddeld per artikel is erg veel als je bedenkt dat de uitgever niet de reviewer betaald, niet de auteur betaald, vaak niet de redacteuren betaald, en eigenlijk ‘alleen’ kosten heeft op het gebied van coördinatie en het aanbieden en onderhouden van een platform (er is zelfs een uitschieter van $ 40.000 per artikel). Daar moet gewoon voor betaald worden natuurlijk en het lijkt me vanzelfsprekend dat een commercieel bedrijf daar aan mag verdienen. Maar een winstmarge van 39 procent is wel erg veel, en niet alleen in tijden van crisis. Wetenschap dat betaald is met belastinggeld hoort voor iedereen te zijn, niet alleen voor de docent of onderzoeker die van 9 tot 5 op zijn/haar kantoortje zit. Iedere belastingbetaler zou eenvoudig moeten kunnen nalezen wat prof. die of dr. zus heeft onderzocht met ‘zijn/haar’ geld; niet iedereen zal het interessant vinden, maar het gaat erom dat mensen die het wel interessant vinden niet nog extra hoeven te betalen om erbij te kunnen. Onderzoek in Duitsland heeft uitgewezen dat dit allemaal betaald kan worden met dezelfde kosten waarmee nu abonnementen betaald worden. Maar ja, dan moeten bepaalde uitgeverijen wel bereid zijn om wat van hun winst in te leveren en dat zie ik Elsevier nog niet zomaar doen.

Geef een reactie