Vijftig jaar politicologie: ‘De wereld waarin wij studeerden was een gistende brij’

08 nov 2019

Ze deden mee aan demonstraties, bezettingen en solidariteitsacties voor vrijheidsbewegingen waar ook ter wereld. Annemiek Hoogenboom, Mathy Peters en Frank Koster, studenten politicologie van het eerste uur, halen herinneringen op. ‘Wij hadden het gevoel iets te kunnen doen aan alle problemen in de wereld.’

Wie aan het einde van de jaren zestig een volwaardige opleiding politicologie wilde volgen, had twee keuzes: Amsterdam of Nijmegen. Het was de tijd dat beelden van de Maagdenhuisbezetting en andere oproer in de hoofdstad regelmatig te zien waren op het journaal. ‘Dat was mijn ouders wat te gevaarlijk’, zegt Annemiek Hoogenboom, die haar gymnasiumdiploma haalde bij de nonnen van het meisjeslyceum in Roermond. De keuze voor haar ouders was snel gemaakt: dochter Hoogenboom zou zich inschrijven aan de Katholieke Universiteit in Nijmegen – niet wetende dat ook in deze stad het anti-autoritaire virus snel om zich heen greep.

Onder de Limburgse studenten was ook Mathy Peters. Hij ‘vluchtte’ naar Nijmegen om onder het juk van zijn streng katholieke vader vandaan te komen. Onder valse voorwendselen welteverstaan, want vader Peters dacht dat zijn zoon Frans zou gaan studeren – het vak waarin hij zelf lesgaf. In Nijmegen aangekomen schreef zoonlief zich echter snel in bij de opleiding sociologie. Na het behalen van het kandidaatsexamen stapte hij over naar de gloednieuwe opleiding politicologie.

Ook Frank Koster wilde zo ver mogelijk van huis. Opgegroeid in de kop van Noord-Holland, verkoos hij Nijmegen boven Amsterdam. ‘Ik ben van eenvoudige komaf, mijn ouders waren alleen naar de lagere school geweest. Op de basisschool kreeg ik de verschillen in maatschappelijke rangen en standen met de paplepel ingegoten – de rijkere kinderen gingen naar de hbs of het gymnasium en ik werd naar de ulo (een voorloper van de mavo, red.) gestuurd, ondanks dat ik heel goed kon leren.’ Via de ULO ging Koster alsnog naar de hbs en later naar de universiteit.

Mathy Peters. Foto: Tom Hessels

Aangekomen in Nijmegen, in wat voor wereld kwamen jullie terecht?

Mathy Peters: ‘Ik genoot vooral van de vrijheid. Het eerste jaar heb ik er niks gedaan, behalve gezellige dingen.’

Frank Koster: ‘Ik ging bij een dispuut dat BARD heette, met allemaal actieve types. Ik voelde me thuis tussen die oproerkraaiers. We gingen naar café Trianon of ’t Haasje aan de Berg en Dalsweg. Of naar ’t Haantje, waar je bier uit de fles kreeg – vijftig cent voor een halve liter.’

Annemiek Hoogenboom: ‘Voor vrouwen had je de meisjesclubs. Na één avond bier tappen, wist ik: dit is tijdverspilling. Ze liepen daar rond met plooirokjes en parelkettingen. Nijmegen was erg gepolariseerd toen. Je had de rechtse disputen, maar ook de marxistische groepen. Ik wilde niet bij rechts horen, maar bij links was het ook niet altijd feest – zeker niet voor vrouwen. Daar moest je je verbaal invechten, omdat je nog niet zo veel had gelezen als de types die daar rondliepen. Anders werd je al gauw het ‘vriendinnetje van’ – dat wilde ik niet.’

Peters: ‘Het duurde even voordat je doorhad waar je bij wilde horen. De tegenstellingen waren enorm. Ik kreeg hulp van mijn broer, die me het studentenleven inloodste. Hij nam me mee naar studentenvereniging Diogenes aan de Van Schaeck Mathonsingel.’

Koster: ‘Nijmegen was de universiteit met het grootste percentage studenten van ouders die nog niet hadden gestudeerd. Het verschil tussen studenten als ik en kinderen van doctoren en leraren ervoer ik heel sterk. De vanzelfsprekendheid waarmee zij hun boodschap verkondigden was soms intimiderend – zo overtuigd van hun eigen gelijk. Ik voelde me een gast, een indringer bijna.’

Annemiek Hoogenboom. Foto: Tom Hessels

Eind jaren zestig, begin jaren zeventig; dat was de tijd van bezettingen en protesten. Waar maakten jullie je hard voor?

Hoogenboom: ‘Ach, je rook overal een beetje aan. Vanuit onze katholieke missionerende achtergrond was het vanzelfsprekend solidair te zijn met de onderdrukten, maar er speelde zich ook gewoon veel af in die tijd. Bangladesh scheidde zich af, je had de Biafra-oorlog, de bezetting van Palestina. Allerlei dingen lagen onder een vergrootglas en daarvoor gingen wij in hongerstaking.’

Koster: ‘De wereld was een gistende brij en wij studenten wilden zo snel mogelijk een einde maken aan onheuse, onrechtvaardige gewelddadige situaties – of dat nu Palestina of Bolivia was. Ik voelde me onderdeel van een grote beweging voor rechtvaardigheid, vrijheid en democratie.’

Peters: ‘Maar wij deden natuurlijk niet aan alles mee. En toeval speelde een grote rol. Ik zal nooit vergeten dat ik bijvoorbeeld via mijn neef in Amsterdam terechtkwam op een Anti-NAVO-congres in 1969. Het was geweldig om als twintigjarig jochie van gedachte te kunnen wisselen met die studentenleiders. Daarna ben ik in mijn politieke denken geradicaliseerd. Ik werd bijvoorbeeld actief bij het Angola Comité, dat zich inzette voor de dekolonisatie van Zuidelijk Afrika.’

Koster: ‘Wij deelden de wereld in in goed en kwaad. En de bevrijders, die waren natuurlijk goed. Maar we weten inmiddels dat als de macht zich kantelt er een nieuwe macht opstaat.’

Peters: ‘Voor mij was het enorm teleurstellend dat er ook binnen bevrijdingsbewegingen tegenstellingen ontstonden en zelfs gewapende conflicten uitbraken. Dat is in Angola gebeurd, bijvoorbeeld. Daar kon ik met mijn hoofd niet bij.’

Hoogenboom: ‘We hadden niet goed door dat er binnen landen fronten ontstonden tussen Oost en West. Naïviteit was ons niet vreemd. Maar we kregen dat soort kennis van zaken ook niet mee van onze docenten. Wij stelden allerlei kritische vragen aan professor Hoogerwerf (hoofd van de opleiding, red.), maar die gaf niet thuis. Politicologie was toen nog erg gericht op de Verenigde Staten. Over democratie valt genoeg te zeggen maar het is niet allemaal Amerika dat de klok slaat.’

Frank Koster. Foto: Tom Hessels

Peters: ‘Als studenten hadden wij allerlei gedachten waar het heen moest met het onderwijsprogramma. Binnen het docentencorps bestonden ook allerlei tegenstellingen. Wij maakten daar gebruik van door docenten die op onze hand waren te betrekken in onze acties. Dat leidde regelmatig tot forse kritiek op hoogleraar Hoogerwerf.’

Koster: ‘Dat heeft tot flinke conflicten geleid. Wij bemoeiden ons actief met het benoemingsbeleid. Toen er begin jaren zeventig een vacature voor een docent was brak de pleuris uit. De benoemingscommissie, met daarin ook studenten, wilde Bob Reinalda, een docent die ook het een en ander over het marxisme wist. Maar Hoogerwerf was daar tegen en stapte naar het college van bestuur, dat hem in het gelijk stelde. Toen hebben wij de barakken aan de Verlengde Groenestraat, waar toen politicologie huisde, 106 dagen bezet – een record. We lieten niet los. Uiteindelijk werd Reinalda benoemd.’

Was de sfeer vijandig?

Koster: ‘Nou, zeker.’

Hoogenboom: ‘En polariserend. Zodanig dat sommige studenten afhaakten. Die dachten: wij willen hier niet mee doorgaan. Wij willen gewoon les krijgen. Het actieklimaat heeft niet alleen maar goeds gebracht. Uiteindelijk ben ik na mijn kandidaats naar Amsterdam gegaan.’

Was het ook nog gezellig om te studeren of was het alleen politiek dat de klok sloeg?

Hoogenboom: ‘Dat laatste. Studeren was een leerschool waar je met allerlei tegenstellingen werd geconfronteerd. Het voordeel was wel dat we het gevoel hadden dat we iets konden doen aan alle problemen die er waren. Door te demonstreren, te collecteren, in hongerstaking te gaan.’

Peters: ‘Het ging af en toe wel ten koste van de leukere dingen in het leven, zoals vrienden opzoeken en andere gezellige dingen.’

Hoogeboom: ‘Misschien zochten we die gezelligheid ook niet zo in die tijd. We gingen niet met cappuccino op het terras zitten, zoals studenten nu doen. Het was een andere tijd.’

3 reacties

  1. Bert Nelissen schreef op 8 november 2019 om 12:11

    Het artikel geeft goed weer wat toen de sfeer was bij politicologie in Nijmegen. Door het verhaal van Mattie, Frank en Annemiek werd duidelijk hoe zoekend we eigenlijk waren. Op zoek naar een betere wereld. We waren vol optimisme dat helaas vaak door feitelijke ontwikkelingen omsloeg in teleurstellingen. En dat tot op de dag van vandaag.
    Misschien had ook iets meer aandacht besteed moeten worden aan de socialistische studentenbonden waaronder die van politicologie en niet te vergeten het blad Paradogma van en voor studenten politicologie.

  2. maarten van den oever schreef op 8 november 2019 om 17:02

    Nu, teleurstelling over die tijd of het resultaat daarvan lijkt me niet zo nodig. Behalve politieke bezwaren tegen het politicologieonderwijs waren er ook gewoon kwaliteitsproblemen mee. Echt zicht op de in die tijd vigerende theorievorming, op politieke filosofie, op de discussies over het karakter van politieke partijen, dat kreeg je er niet door het gebrek aan kwaliteit. Veel moest zelf maar uitgezocht worden, en als gevolg daarvan kwam de echte kwaliteit, die er soms wel was (Aquina, George Kwaad,Graham Lock, Ben Schennink,Leon Wecke,Bartels, etc) niet uit de verf. En , inderdaad, er was wel degelijk inhoudelijk debat, bijvoorbeeld in Paradogma, dat door de treurige afgang van de progressieve kampioenen in het docentenbestand (Reinalda,Tudyka, e.d.) mee werd gedevalueerd. Daar , in die tijd, stopte het debat ook helemaal niet, maar het werd elders voortgezet, en leeft internationaal nog altijd volop. Of het huidige politicologie, dat kennelijk verbouwd is tot managementstudies (een van de zeer vele), daar alsnog enige weet van heeft gekregen is de vraag; wat mij betreft een gewetensvraag.

  3. piet nelissen schreef op 9 november 2019 om 09:56

    Zoals Mathy Peters opmerkt waren wij eerste generatie politicologen begonnen als sociologen en als dusdanig waren we kinderen van de professoren Thurlings, Albinski, Jansen, van Boxtel enz. Wij begonnen na ons kandidaatsexamen sociologie aan onze politicologie studies voornamelijk o.l.v. Wim Bartels, Tom Noldus , Leon Wecke, Kho en later o.a. Slomp. Professor Schlichting die ik nog een jaar gehad heb op de cursus Journalistiek was net overleden. Hoogerwerf kwam pas aan het einde van onze studies. De groep politicologen was klein en daarmee overzichtelijk. Ik herinner me dat we met de genoemde wetenschappelijke medewerkers nogal eens persoonlijke gesprekken hadden over de democratisering van de universiteit, de kritische universiteit (Frankfurter Schule), maatschappelijke relevantie van onze studie, de Vietnam oorlog, de Oost-West tegenstellingen, het roken van hash, enz. Die directe contacten maakten politicologie tot een aangename studie. Er was natuurlijk nog veel meer aan de hand waaronder het hierboven al genoemde politicologen tijdschrift Paradogma, de socialistische studentenbond, het Derde Wereldcentrum kortom teveel om op te noemen. Alles bij elkaar heeft de studie het mij mogelijk gemaakt om eerst bij VN organisaties en later bij de internationale vakbeweging een plek te vinden, waarvoor alsnog dank. Voor een meer persoonlijke kijk op mijn studententijd verwijs ik naar mijn wekelijkse aflevering “De Sprookjesjaren 60” op mijn blog http://www.petrusnelissen.blogspot.com

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een dagelijkse of wekelijkse nieuwsbrief met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands
Verzonden!