Wandelen voor de wetenschap: ‘De eerste dag is het zwaarst’

10 jul 2019

Volgende week staan er weer 45.000 wandelaars aan de start van de Nijmeegse Vierdaagse. Honderd van hen worden extra in de gaten gehouden. Een team fysiologen van het Radboudumc voedt, weegt, meet en bevraagt deze deelnemers. Wat testen die wetenschappers zoal, en wat levert al dat meetwerk op? ‘Een wandelaar met hartklachten is er een stuk beter aan toe dan zijn stilzittende medepatiënt.’

‘Je zou het niet zeggen, maar de eerste dag, díe is het zwaarst.’ Louis van Mechelen kan het weten. 82 is hij, en al twintig jaar trouw deelnemer aan de Nijmeegse Vierdaagse. Niet dat hij zijn hele leven al wandelt. Pas op zijn zestigste trok hij voor het eerst loopschoenen aan. ‘Als ik vroeger wandelaars voorbij zag komen, dacht ik altijd: hebben die mensen niets beters te doen?’

Maar ja, toen hij na een leven lang bakkerswerk met pensioen ging, miste hij zijn dagelijkse beweging enorm. Tot zijn eigen verbazing raakte hij verslingerd aan het lopen; de Nijmeegse Vierdaagse is een van de vele tochten die hij jaarlijks volbrengt. ‘Van China en Korea tot Australië, ik heb overal wel stempels gehaald’, zegt hij vrolijk.

’20 procent van de lopers was op de eerste dag uitgedroogd’

Naast deelnemer aan de Nijmeegse wandelmars is Van Mechelen ook trouw proefpersoon in het Vierdaagseonderzoek van het Radboudumc. Sinds 2007 neemt de afdeling Fysiologie jaarlijks zo’n honderd deelnemers uitgebreid onder de loep, om telkens een andere onderzoeksvraag te beantwoorden. Dat de eerste wandeldag fysiologisch gezien inderdaad het zwaarst is, zoals Van Mechelen ervaart, was de eerste – verrassende – conclusie. Dit jaar bekijkt het team, onder leiding van inspanningsfysiologen Maria Hopman en Thijs Eijsvogels, of de combinatie van lichaamsbeweging en nitraatrijke voeding bloeddrukverlagend werkt.

Rampzalige editie

‘Ons werk kent een trieste aanleiding’, vertelt Eijsvogels, die aan de wieg stond van de jaarlijkse studie. Nijmegenaren herinneren zich vast nog de rampzalige editie van 2006, toen de Vierdaagse na dag één werd afgelast. ‘Het was toen gemiddeld 33 graden en windstil. Twee lopers stierven en tientallen anderen belandden in het ziekenhuis.’

Dat nooit meer, besloot de organisatie. Daarom stelde ze een adviesraad in van experts die voortaan de wandelomstandigheden per dag scherp in de gaten moesten houden. ‘Helaas bleek er wetenschappelijk nog nauwelijks iets bekend over de risico’s van wandelen’, zegt Eijsvogels. ‘Wát we wisten, kwam uit de militaire wereld. Dat was onderzoek onder jonge, goedgetrainde mannen en vrouwen, een totaal andere populatie dan de Vierdaagselopers. Dus welke adviezen geef je dan?’

Foto: Marjolein van Diejen

Het Radboudumc besloot zelf een studie te starten. Voor Eijsvogels vormde het de hoofdmoot van zijn promotieonderzoek. ‘Die eerste jaren keken we naar drie dingen: wat doet lopen met je temperatuur en je vochtbalans, en wat betekent het voor de belasting van je hart? Zo bleek dat de lichaamstemperatuur van een wandelaar tijdens de dag ongeveer één graad stijgt: van gemiddeld 37,2 naar 38,2 graden.’

Uitdroging

Die lichte temperatuurstijging is in principe niet problematisch, zegt Eijsvogels. Wél schrokken de onderzoekers van de hoeveelheid lopers die na het wandelen was uitgedroogd. ‘Op de eerste dag was dat wel twintig procent. Reken je dat door naar de 45.000 deelnemers, dan komt het erop neer dat 9.000 mensen uitgedroogd over de finish komen. Stopt zo iemand met wandelen, dan heeft hij meer kans om flauw te vallen. Bovendien raken uitgedroogde lopers sneller oververhit.’

Wat de onderzoekers met name verraste, is dat het probleem van vochttekort vooral op de eerste dag speelt. ‘Je zou verwachten dat wandelaars later in de week vermoeider zijn. Maar we ontdekten dat het lichaam na een dag lopen allerlei aanpassingen doorvoert, waardoor uitdroging veel minder een probleem wordt. Het plasmavolume in je bloed neemt bijvoorbeeld toe, waardoor wandelaars een grotere vochtbuffer hebben en minder snel uitgedroogd raken. Dat was voor ons een eyeopener: die eerste dag, dáár moeten we wat mee.’

Thijs Eijsvogels. Foto: Dick van Aalst

Daarom hamert de organisatie er tegenwoordig op dat wandelaars genoeg vocht binnenkrijgen. Er zijn meer waterposten en op warme dagen staan matrixborden langs de weg: vergeet u niet te drinken?

Sterker nog, dat de dinsdagroute twee jaar geleden is veranderd, is een direct gevolg van hun onderzoek, zegt Eijsvogels niet zonder trots. ‘Nu loop je na de Waalbrug meteen over de dijk richting Oosterhout. Voorheen waren dat de laatste kilometers. Maar op die dijk staat vaak nauwelijks wind, er is weinig ruimte voor waterposten en het stuk is moeilijk bereikbaar voor hulpdiensten. Dus heeft de organisatie gezegd: laten we daar ’s morgens beginnen, dat is veiliger.’

Meetweek

In de ‘meetweek’, zoals het onderzoeksteam de Vierdaagse noemt, draaien de wetenschappers piekuren. Alle medewerkers van de afdeling Fysiologie doen mee – ook promovendi die zich de rest van het jaar met ander onderzoek bezighouden. De vrijdag vóór de start van de Vierdaagse verhuist het volledige onderzoekslab met alle apparatuur naar de Wedren. In de gymzaal van het Karel de Grote College richten de fysiologen hun onderzoekscentrum in. Studenten staan op posten langs de route om onderweg de hartslag van deelnemers te meten.

‘Voor ons is deze studie ook een stuk teambuilding’, zegt Eijsvogels. ‘Ook toen ik na mijn promotie een paar jaar aan de slag ging in het buitenland, kwam ik tijdens de meetweek altijd naar Nijmegen. Het zijn intensieve, bijzondere dagen; voor de deelnemers én voor ons. Veel mensen, zoals Louis van Mechelen, werken al jaren trouw mee. Lief en leed worden gedeeld, we bouwen echt een band op.’

Foto: Marjolein van Diejen

Van dinsdag tot en met vrijdag opent het lab ’s nachts om kwart over drie. Van Mechelen komt wat later; hij stapt dagelijks om half zes in de trein vanaf Roosendaal en is rond zeven uur bij de Wedren. Eijsvogels: ‘Samen drinken we een kopje koffie, delen verhalen over de vorige dag. ’s Morgens wegen we deelnemers en meten we hun hartslag. ’s Middags na de wandeltocht zijn we langer bezig. Dan nemen we bloed af en doen we allerlei testjes. Per deelnemer duurt dat twintig tot dertig minuten.’

Opbrengst

Al vóór de intocht proberen Eijsvogels en zijn collega’s wat eerste, voorzichtige conclusies te delen in de media. ‘Daar is veel vraag naar. Natuurlijk houden we een slag om de arm, pas in het najaar werken we alles in detail uit. Elke deelnemer krijgt een brief thuis met de onderzoeksresultaten én zijn eigen data. We vertellen er ook bij of iemand hoger of lager scoort dan gemiddeld, en hoe dat dan komt.’

De opbrengst van de Vierdaagseonderzoeken is niet gering: in dertien jaar tijd publiceerden Eijsvogels en zijn collega’s een kleine veertig wetenschappelijke artikelen. Naast de doorbraak over uitdroging was het groot nieuws dat ouderen verlies van spiermassa kunnen voorkomen door extra yoghurt of kwark te eten. ‘Voor de academische wereld is ons onderzoek erg nuttig, maar de maatschappelijke waarde ervan vind ik minstens zo belangrijk. Daarom vertalen we onze conclusies zoveel mogelijk naar concrete tips en adviezen.’

Lopersgeheim

Dertien jaar onderzoek lijkt lang, maar voor de ruim honderdjarige Vierdaagse is het relatief kort. Was er voorheen geen behoefte aan wetenschappelijk onderbouwde voorlichting? ‘De wandelmars is veel meer een publieksevenement geworden’, verklaart Eijsvogels. ‘Van oudsher deden vooral goedgetrainde mensen mee, tegenwoordig is de lopersgroep een dwarsdoorsnede van de Nederlandse bevolking. We zien grotere variatie, in gezondheid én getraindheid. Opvallend veel wandelaars – wel een derde – hebben iets onder de leden. Ze lijden aan astma, hart- en vaatziekten of hebben kanker gehad. Anderen doen mee vanwege een weddenschap en hebben nauwelijks getraind. Dan gaat er natuurlijk vaker wat mis.’

‘Ik moet altijd even op gang komen, maar daarna loop ik zo lang door als ik wil’

Dat betekent trouwens niet dat minder fitte mensen beter thuis kunnen blijven, benadrukt de onderzoeker. ‘Integendeel: een wandelaar met hartklachten is er een stuk beter aan toe dan zijn stilzittende medepatiënt. Een stelling uit mijn proefschrift is dat de zorgkosten in ons land een stuk lager zouden liggen, als elke Nederlander een Vierdaagse liep. Daar raak ik met de jaren alleen maar meer van overtuigd.’

Twee jaar geleden deden Eijsvogels en zijn collega’s onderzoek onder de honderd oudste deelnemers van de Vierdaagse: hoe verteert hun lichaam de loopkilometers? De oudste deelnemer van die groep was 92, de jongste 82. Hun echte geheim heeft Eijsvogels nog niet weten te ontrafelen, geeft hij toe. ‘Maar we zien wel dat het vaak mensen zijn die een leven lang actief zijn geweest – en dan vooral in en rondom het huis. Het zijn dus niet zozeer sporters, eerder mensen die graag tuinieren of fietsen naar de supermarkt. En ze eten vaak Hollandse kost: brood, aardappelen, vlees en groenten.’

Stapelbedje

Heeft Eijsvogels zélf zijn Vierdaagsekruisje eigenlijk al binnen? De onderzoeker lacht. ‘Die vraag krijg ik natuurlijk vaak. Sinds mijn afstuderen ben ik elke zomer bezig met dit onderzoek, dus het is er nog niet van gekomen. Wel ben ik eens een dag meegelopen met een 87-jarige deelnemer uit Groningen. Die sliep nog de hele week op een stapelbedje, in een hal met vijfhonderd anderen. Toen dacht ik wel: wauw, als je op die leeftijd nog zó fit bent.’

Over fitheid gesproken: ook de 82-jarige Louis van Mechelen is weer klaar voor de start. Hij wandelt nog altijd zo’n drieduizend kilometer per jaar. ‘In mijn toptijd was dat zelfs vijfduizend’, grijnst hij. Voorlopig is hij niet van plan te stoppen. ‘Stilzitten? Nee, daar begin ik niet aan. Ik moet altijd even op gang komen, maar ben ik eenmaal aan de wandel, dan loop ik zo lang door als ik wil.’

Dit artikel verscheen eerder in Radboud Magazine

 

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een dagelijkse of wekelijkse nieuwsbrief met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands