Zoektocht naar een verloren winterlandschap

23-12-2016, 11:54

Louis Apol. Winterlandschap. Olieverf op doek, 80,5 x 112 cm. Teylers Museum Haarlem.

Waar het buiten blijft kwakkelen, zijn er gelukkig nog de musea om echte winters te beleven. Na de tentoonstelling Echte Winters in Haarlem ging Vox-redacteur Paul van den Broek op zoek naar een kwijtgeraakt schilderij van Louis Apol, die zijn liefde voor de winter ten volle uitleefde in zijn panorama Nova Zembla. Tientallen meters lang, maar waar ligt dat doek?

In de winter van 2016 bezocht ik de tentoonstelling Echte Winters in het Teylers Museum in Haarlem, en werd midscheeps geraakt door het eerste beeld dat zich aandiende. Het tekstbordje leert dat ik ben getroffen door Winterlandschap van Louis Apol (rond 1880). Nooit van gehoord, maar ik sluit de goede man meteen in mijn hart. In de kleine maar fijne expositie stuit ik even later op een ander werk van Apol, een schets dit keer: een fragment van zijn panorama Nova Zembla. Prachtig, ik ben verzot op panoramaschilderingen, dus hier komen twee liefdes samen. Maar het tekstblokje bij die schets dient een klap toe: het panorama van Apol blijkt nergens meer te vinden. Kwijt? Vernietigd? In elk geval ‘verloren geraakt’. Veel heb ik tot nu toe niet mogen betekenen voor de kunstgeschiedenis, en eindelijk kan ik iets doen. Ik besluit op zoek te gaan naar het verloren panorama.Panorama

Winterschilderij
Wat is een zoektocht zonder goede gids? Het treft dat de leidsman voor mijn tocht in eigen huis is: Willy Piron, hoofd van het Centrum voor Kunsthistorische Documentatie van de Radboud Universiteit. Het treft bovendien dat zijn centrum in bezit is van keurig geordende mapjes, waaronder naast een mapje “Louis Apol” ook eentje met “winterse taferelen”. Piron doceert dat Apol binnen de Haagse School de specialiteit winterse landschappen voor zijn rekening nam. Hoe gaat zoiets? ‘Dan moet je in elk geval heel bedreven zijn met de kleur wit, de nuances daarin zetten de toon in het goede winterschilderij. Apol deed dat uitstekend. Hij verkocht ook goed, dus ging-ie er mee door.’ De een de winters, de ander (Willem Maris) de koeien en weer een ander (Anthony Mauve) de grijze wolken en schaapjes. En alle drie tonen zich ware meesters van het licht. Piron schuift Apols Houthakkers met Mallejan naar voren. ‘Kijk toch eens hoe prachtig dat licht valt.’

Hoe prachtig ook, de Haagse School was een tijd lang helemaal uit de mode. Te commercieel, te weinig vernieuwend, plaatsjesmakers, zo vat Piron de kritiek in de jaren zestig en zeventig samen. ‘Toen zag men veel liever een Van Gogh, een kunstenaar met een moeilijk leven die bovendien zijn leven lang bleef experimenteren.’ Apol was even getalenteerd als vasthoudend in zijn stijl, oordeelt Piron. Iets waar we tegenwoordig geen moeite mee hebben. ‘De waardering gaat in golfbewegingen, nu is er weer belangstelling voor Apol en de Haagse School.’ In de jaren zeventig ‘deed’ Apol een slordige tweeduizend gulden, nu slaat de veilinghamer af op 60.000 euro. Voor minder dan een maandsalaris had nu dat Winterlandschap aan mijn muur gehangen! ‘Dat was toen waarschijnlijk je maandsalaris niet’, reageert Piron nuchter op mijn uitroep. ‘Twee- tot drieduizend gulden was toen best een groot bedrag.’

RP-P-1912-2384Panoramagebouw
Waar moet ik het panorama Nova Zembla van Apol gaan zoeken? Piron wijst op Jan de Hond, alumnus van de Radboud Universiteit en nu conservator van het Rijksmuseum. ‘Hij weet heel veel van panorama’s, hij is gespecialiseerd in het oriëntalisme.’ Van het Heilige Land zijn in de jaren van Apol – midden negentiende eeuw – veel panorama’s bekend. Piron: ‘Die schilderingen gingen rond als een ware attractie. Er was nog geen film, geen toerisme, laat staan 3D-animatie in games. Panorama’s openden in die tijd de wereld, ze waren enorm in de mode.’ Wat heet: in het Panoramagebouw in Amsterdam stonden ze begin vorige eeuw in de rij om een nieuw panorama te zien, over Jeruzalem of het Beleg van Haarlem, of van de hand van Mesdag. Nova Zembla “draaide” in 1896 en was een instant succes.

Er is nóg meer kwijt dan me lief is: het Panoramagebouw is door hetzelfde lot getroffen als veel van de doeken: uit de mode geraakt en weg. Na de opening in 1885 heeft het prachtige ronde gebouw – in het stadsarchief in Amsterdam zijn de foto’s – precies veertig jaar gefloreerd. In 1935, na tien jaar verval, maakte sloop een einde aan de plek van al die dromen. Wat rest aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam (vlakbij Artis) is een plantsoen. Ik ben er gaan kijken en daar word je alleen maar stil van. Hoe heeft men zó’n gebouw na zó korte tijd al kunnen slopen? Piron is nuchter: ‘Dat zeggen ze straks ook van de kerken uit de jaren zeventig die wij nu slopen. Het gebouw had z’n tijd gehad.’

‘Panorama’s werden niet als echte kunst gezien’

Is het panorama van Apol met die sloop ten onder gegaan? ‘Niet uit te sluiten’, zegt Piron. ‘Dat werk was oneerbiedig gezegd een circusattractie. Panorama’s werden niet als hoge kunst gezien, ook al was de kwaliteit van Mesdag en Apol onmiskenbaar.’ En op een gegeven moment ligt zo’n enorm doek alleen maar in de weg: Mesdag meet 120 bij 40 meter, Nova Zembla is niet veel kleiner. ‘Een enorm pakket’, zegt Piron. ‘Mesdag heeft geluk gehad voor hem stond een gebouw klaar, maar wie weet is het doek van Apol gewoon in de afvalbak gekieperd.’

Zopie
Op weg naar Jan de Hond in Amsterdam ga ik eerst te rade bij Michiel Plomp, samensteller van de expositie Stille Winters in Haarlem. ‘Alles wat ik weet staat in de catalogus van de tentoonstelling’, zegt Plomp. Hij weet niet beter dan dat het in 1896 vervaardigde panorama van Apol in de Tweede Wereldoorlog bij een brand in Haarlem is vernietigd. Er is wel iets van over, dankzij de werkwijze van Apol: die maakte tal van schetsen als basis voor zijn panorama. Het panorama mag verloren zijn, de schetsen worden keurig bewaard in het depot van het Rijksmuseum.

Bladerend door die Haarlemse catalogus kun je het lekker koud krijgen. En ik besef ineens waarom Apol me zo aan het hart gaat. De goede man trok eropuit, schilderde wat hem écht voor ogen heeft gestaan. Het cliché van de Hollandse winter staat op naam van Hendrick Avercamp, die drie eeuwen vóór Apol het koek-en-zopieschilderij maakte dat nu pronkt in het Rijksmuseum. Avercamp leefde net als Apol in een “kleine ijstijd”, wat mogelijk verklaart dat-ie lekker binnen in het atelier het werk maakte, op basis van prenten. Zo niet Apol: die ging naar buiten. Het korte winterlicht gaf hem alleen gelegenheid om schetsen te maken, die hij snel daarna in zijn atelier omzette in het “echte” werk.wintertafereel Avercamp
Zeker, ook ik smelt weg bij Avercamp, verlangend naar een koek-en-zopie-schaatstocht zoals ik die een aantal heb mogen maken (zie hierboven Avercamps Winterlandschap met schaatsers, te bewonderen in het Rijksmuseum Amsterdam). Maar Apol mikt de ijspriem in het hart. Het is ‘echter’. Piron zegt het zo: de Haagse School was het te doen om licht en vormen. ‘Wat zie ik? Hoe valt het licht tussen de bomen, dáár ging het om.’ Weg met de idealisering van Avercamp (‘alle rangen en standen gezellig samen op het ijs’), weg met de schildering van het landschap als majestueus decor. Niet de aanwezigheid van God in het landschap is het mikpunt, zoals in de eeuwen vóór Apol, maar de lichtstraal door de met rijp bedekte bomen. Wat mij betreft minstens zo goddelijk.

Kitsch
Louis Apol mag een welgesteld Haags burger zijn geweest, avontuurlijk was-ie ook. Na een reis door Scandinavië zette hij een kroon op zijn winterlust met een vaarreis naar Nova Zembla. We schrijven 1880 als Apol inscheept op de Willem Barentsz, genoemd naar de kapitein die drie eeuwen eerder vastliep op Nova Zembla en een barre winter beleefde in het noodonderkomen “het Behouden Huis”. Apol heeft Nova Zembla overigens door barre weersomstandigheden nooit bereikt; hij schilderde zijn Nova Zembla op basis van zijn onderweg gemaakte schetsen.

Jan de Hond verklaart de verminderde waardering voor schilders als Apol vanuit het tijdsgewricht: rond 1900 rekende de avant-garde af met de ‘werkelijkheidsillusie’ die daarvoor in de mode was. Kunst moest gaan om persoonlijke gevoelens, passie, een eigen stijl. ‘Panorama-schilders werden toen niet meer gewaardeerd en panorama’s werden als kitsch weggezet.’

Louis Apol 02
Boslaan in wintertooi. Louis Apol, 56,7 x 78,7 cm., Dordrechts Museum, bruikleen verzameling Van Bilderbeek.

Terug naar de hamvraag: waar is het panorama gebleven? Ook De Hond moet het antwoord schuldig blijven. Heeft hij als panoramakenner geen aandrang op zoek te gaan naar dat doek? Hij moet me teleurstellen: ‘Ik kan me niet voorstellen dat je zo’n panorama ergens op een zolderkamertje gaat vinden. Besef wel, dat waren kolossale doeken.’ Om een idee te geven verwijst De Hond naar het Jeruzalempanorama, vergelijkbaar in omvang: bijna 1700 vierkante meter groot, vijfduizend kilo zwaar en verpakt in een kist van vijftien meter lang. ‘Zoiets zie je niet zo maar over het hoofd.’
Het droevige einde in een Haarlemse brand is ook de Hond bekend. Wat is de bron? Een voetnoot in de Haarlemse catalogus brengt helderheid: de brand is vastgelegd in een artikel in Spiegel Historial uit 1995. De auteur: W.F.J. Mörzer Bruyns, conservator in ruste van het Maritiem Museum in Rotterdam. Eén bron is mogelijk geen bron, dus ik ga op zoek naar Bruyns. Is hij wel zeker van de zaak, of mag de liefhebber van Apol een klein beetje hoop koesteren dat het panorama de brand is ontsprongen?

Maar helaas: Bruyns laat niks van zich horen. Willy Piron, mijn gids, zegt dat ik er vrede mee moet hebben. ‘Dat werk zal er echt niet meer zijn.’ Als het doek niet is verbrand, zal het hergebruikt zijn, of kwijtgeraakt, of door anderen aan de achterzijde beschilderd tot weer nieuw schilderijen. Ook Michiel Plomp van het Teylers Museum geeft weinig hoop: ‘Ik hoop inderdaad dat het panorama misschien niet in Haarlem was en dus niet is verbrand, of dat het op miraculeuze wijze die brand heeft overleefd en nog ergens opduikt. Maar dat is tegen beter weten in.’ En zelfs áls ik het zou vinden, voorziet Willy Piron een doek in heel beroerde staat. ‘Met dus een grote kostenpost voor de restauratie.’ Bovendien is er geen plek in Nederland waar zo’n doek tot z’n recht kan komen, slaat Piron nog meer hoop uit handen. ‘Dan moet er een museum komen zoals dat van Mesdag, en daar is al helemaal geen geld voor.’

Ik berust. Op mijn to-dolijst voor 2017 staat een zoveelste bezoek aan Panorama Mesdag in Den Haag, en dan zal ik ook even het panorama Nova Zembla voor ogen nemen. *

De catalogus van de expositie Echte Winters, met daarin het werk van Louis Apol, is te bestellen via de webshop van het Teylers Museum Haarlem

Geef een reactie