Docenten hebben geen gebrek aan inspiratie, maar een gebrek aan geld

14 aug 2020

OPINIE - Het aantal studenten per docent is de laatste jaren sterk toegenomen aan de universiteit en zeventig procent van het wetenschappelijk en ondersteunend personeel ervaart een hoge werkdruk. Promovendus bij de afdeling fysisch-organische chemie Ludo Schoenmakers ziet slechts twee manieren om het tij te keren: verhoog het aantal docenten en stel meer geld beschikbaar voor onderwijs.

Pas viel er een boekje op de mat: What if… Dreams on education. Deze kleine uitgave van het team Educational Design and Technology van de Radboud Universiteit is gevuld met veertien vignetten van de grote dromen van veertien van onze docenten. Ze dromen van verbinding, motivatie, visie, en ambitie. Ze dromen van een universiteit waar het weer over academische vorming gaat in plaats van ‘een vastomlijnd programma ingericht op de middelmaat’; ze dromen over vakoverstijgende colleges, een nadruk op vakmanschap en de vrijheid die daarbij hoort in plaats van controle, en de ruimte om fouten te maken terwijl je nadenkt en leert; ze dromen ervan studenten niet meer als eenheidsworst te moeten behandelen. Ze willen af van de cijfers en op naar de individuele leerweg waarin de student zichzelf ontwikkelt.

Dit zijn prachtige dromen. Toch denk ik dat er achter de opzet van deze uitgave een goedbedoelde, betuttelende misvatting schuilgaat. Docenten hebben namelijk niet te kampen met een gebrek aan inspiratie. Docenten hebben te kampen met een gebrek aan geld.

Onderschatting

Dat is niet moeilijk aan te tonen. Je zou dat financieel kunnen doen, bijvoorbeeld door te wijzen op de al jaren teruglopende financiering per student uit de eerste geldstroom. Maar de ratio tussen studenten en wetenschappelijk personeel is een veel inzichtelijkere maat. Daarvoor gebruiken we de data over studentenaantallen van het CBS en het personeelsbestand van de VSNU. Wat blijkt, tussen 2000 en 2018 is het aantal studenten per wetenschappelijk personeelslid gegroeid met maar liefst 44 procent. Dat betekent een enorme hoeveelheid extra werk. Hoorcolleges zijn nog aardig op te schalen, maar bij al het intensieve onderwijs – het organiseren van practica en werkcolleges, de persoonlijke begeleiding bij bachelor- en mastertheses, het nakijken van tentamens, essays en verslagen, het beantwoorden van e-mails en vragen – kan dit nauwelijks. Het is alsof je 11,5 uur werk in een werkdag van 8 uur probeert te proppen.

Eigenlijk is die 44 procent nog een onderschatting. In de groep die het onderwijs aanstuurt en grotendeels uitvoert – hoogleraren, universitair hoofddocenten, en universitair docenten – heeft in twintig jaar tijd namelijk nauwelijks groei plaatsgevonden. In 2000 was deze groep 9.934 fte groot, ten opzichte van 10.958 fte in 2016. Dit terwijl het studentenaantal in diezelfde periode van 166.299 naar 294.712 studenten is gegroeid – een groei van ruim 77 procent.

‘Medewerkers van de universiteit gaan al jaren gebukt onder een hoge werkdruk’

Hierbij moet nog opgeteld worden dat het personeel aan de universiteit – wetenschappelijk én ondersteunend – al jaren gebukt gaat onder een enorme werkdruk. Uit recent onderzoek blijkt dat 70 procent van het personeel een hoge tot zeer hoge werkdruk ervaart. Ruim de helft van de ondervraagden maakt tenminste 6 tot wel 16 overuren per week. Een derde werkt stelselmatig tijdens het weekend. Al met al heeft 70 procent van het wetenschappelijk personeel overwogen ander werk te zoeken. (Overigens is er voor de 40-urige werkweek en het tweedaagse weekend bitter gestreden tijdens de negentiende en begin twintigste eeuw. Een strijd die op veel plaatsen nog lang niet is afgerond en zelfs effectief wordt teruggedraaid.)

Tijdelijke contracten

Je zou kunnen denken dat de hoogleraren, universitair hoofddocenten en universitair docenten er niet alleen voorstaan. Ze worden immers geholpen door hun promovendi en tal van ingehuurde docenten. Dat klopt, maar ook hier doet een gebrek aan geld en tijd effectieve hulp de das om. Het onderzoek naar de werkdruk en psychologische gezondheid van promovendi is nog niet heel uitgebreid, maar aangenomen mag worden dat ook onder promovendi de werkdruk te hoog is. Zij kunnen het onderwijs niet redden. Helaas kunnen de wetenschappers die zijn aangesteld als fulltime docent dit ook niet: ruim 55 procent gaat van tijdelijk contract naar tijdelijk contract. ‘Waarom zou ik hier in onzekerheid blijven wachten’, zei een inmiddels ex-RU-docent met een jong gezin en nog een paar maanden op zijn contract tegen mij, ‘als ik nu in Twente een tijdelijk contract van een paar jaar kan krijgen?’

‘Ook promovendi kunnen het onderwijs niet redden’

‘In mijn ideale cursus heb ik kleine groepen studenten voor mijn neus en alle tijd voor interactie’, stelt een van de docenten uit het boekje. Een sentiment dat in bijna alle vignetten naar voren komt. Maar er zijn slechts twee knoppen waaraan je kunt draaien om ook maar een kans te maken om dit ideaal te verwezenlijken. Of je verlaagt het aantal studenten en je draait daarmee de emancipatie van het universitair onderwijs terug. Of je verhoogt het aantal docenten door meer geld beschikbaar te stellen voor onderwijs. Tot dat gebeurt droom ik over geld.

Vergelijkbare cijfers en kritiek zijn ook terug te vinden in het werk van WOinactie.

Ludo Schoenmakers is promovendus bij de afdeling fysisch-organische chemie.

Leuk dat je Vox leest! Wil je op de hoogte blijven van al het universiteitsnieuws?

Bedankt voor het toevoegen van de vox-app!

8 reacties

  1. Jan Bransen schreef op 14 augustus 2020 om 12:36

    De conclusie is beter dan de lead suggereert. Want daar staan twee manieren, meer docenten of meer geld, die mijn argwaan wekken. Want waarom niet: minder studenten! Gelukkig staat die wel in de conclusie, maar wordt daar – onnadenkend – onmiddellijk gekoppeld aan het terugdraaien van de emancipatie van het universitair onderwijs.
    Nu weet ik niet precies wat Ludo Schoenmakers bedoelt met “de emancipatie van het universitair onderwijs” en ik weet ook niet wat hij met “terugdraaien” bedoelt, maar ik zou hier nog wel eens een robbertje over willen discussiëren. Ik verdedig al jaren de stelling dat er veel te veel studenten de universiteit op een veel te vroeg moment binnenstromen. Dat is een radicale stelling die ingaat tegen de wet op het hoger onderwijs en de ambitie van de Europese Unie. Dat maakt hem lastig te verdedigen, ogenschijnlijk lastiger dan een pleidooi voor meer docenten of meer geld.
    Maar de optie om het aantal universitaire studenten drastisch te verminderen, verdient serieuze aandacht. En dat begint met het accepteren van een bewijslast. Je kunt niet zomaar suggereren dat je de optie vanzelfsprekend hebt gediskwalificeerd door te suggereren dat het verlagen van het aantal studenten neerkomt op het terugdraaien van de emancipatie van het universitair onderwijs. Daar ontbreken minstens twee argumenten.

    • Ludo Schoenmakers schreef op 18 augustus 2020 om 11:40

      Achter de opmerking ‘verlaag je het aantal studenten, dan draai je de emancipatie van het universitair onderwijs terug’ gaat inderdaad meer schuil. Waarom niet minder universitaire studenten in plaats van meer geld? Een schets van een antwoord:

      Het aandeel van de Nederlandse bevolking dat universitair onderwijs heeft gevolgd is in de tweede helft van de 20ste eeuw enorm gegroeid. Lange tijd was dit dé manier om je sociaaleconomische positie te verbeteren doordat universitair onderwijs, en hoger onderwijs in het algemeen, uitzicht bood op een beter salaris en toegang tot de hogere sociale klassen. Dit heeft een duidelijk economisch nivellerend en sociaal democratiserend effect gehad. (Je kunt nog discussiëren over of deze effecten groot genoeg zijn geweest, maar ze zijn er.) Met ‘de emancipatie van het universitair onderwijs’ bedoel ik niets anders dan het vergroten van de toegankelijkheid van het universitair onderwijs, en alle voordelen die daarbij komen kijken, voor de bredere bevolking.

      Wie de studentenaantallen aan de universiteit verlaagt, zonder verder iets aan de rest van ons onderwijsstelsel en onze sociale orde te veranderen, draait deze effecten terug. De crux zit natuurlijk in de bijzin. Ik denk dat de universiteit een cruciale rol speelt in economische nivellering, sociale democratisering, en het opleiden van kritische burgers. Ik denk dat deze rol nu onvoldoende overgenomen kan worden. Zolang deze rol niet op grote schaal overgenomen kan worden door andere onderwijsvormen in Nederland, is het verlagen van studentenaantallen aan de universiteit een slecht plan. (Overigens krijgt de universiteit wat mij betreft ook een onvoldoende voor de uitvoering van deze rol.)

      Wil je deze situatie veranderen dan ben je al snel jaren verder. Tijdens die jaren is het beschikbaar stellen van meer middelen – en dus meer docenten; dat zijn eigenlijk geen “twee manieren” – verreweg de meest effectieve manier om het onderwijs te verbeteren. Overigens kom je niet af van die investeringen: deze zijn net zo noodzakelijk om het onderwijsstelsel te hervormen zodat je het aantal universitaire studenten zou kunnen verkleinen, zou je dat willen.

  2. Jurgen Brink schreef op 18 augustus 2020 om 22:24

    De reactie van Jan Bransen: over ‘verminder het aantal studenten’ is een verfrissende insteek en een onaangeraakt taboe in het hoger onderwijsbeleid en politiek is er nog geen partij te vinden die deze optie wil bepleiten. Puur instrumenteel bekeken is het natuurlijk de oplossing voor een aantal (niet alle) problemen in het hoger onderwijs. Want met het zelfde geld minder studenten opleiden zou moeten kunnen leiden tot kleinere groepen, meer begeleidingstijd, meer persoonlijk contact etc. etc.

    Ik zou daarom nog wel een ander taboe rondom de toegankelijkheid willen opwerpen: namelijk dat de universiteiten in Nederland nu veel te toegankelijk zijn. En dat het strikte binaire stelsel in Nederland nu in de hand werkt dat er een groep studenten is die nu naar de universiteit gaat, waarvoor een kwalitatief goede HBO opleiding eigenlijk beter passend is. Maar dat vraagt om een maatschappelijke herwaarding van het HBO, ook in universitaire gemeenschappen. Het zou in elk geval niet zo moeten zijn dat voor een sociaal-economische emancipatie alleen universitair onderwijs een panacee is. Meer tussenvormen van onderwijs dat tussen universitair en beroepsonderwijs in zitten, zou dan wenselijk zijn. Maar ik zeg nu wel dingen die op gespannen voet lijken met onze universitaire strategie. Erover discussiëren zou ik graag doen (helaas Coronatijd)

    • Jan Bransen schreef op 21 augustus 2020 om 08:36

      Ik ben het helemaal met je eens, Jurgen. De scheiding tussen praktisch (lees: lager, met je handen en beroepsgeoriënteerd) en theoretisch (lees: hoger, met je hoofd en algemeen vormend) onderwijs die na het basisonderwijs consequent van begin tot eind wordt volgehouden is echt één van de wanstaltigste kenmerken van ons onderwijsstelsel. Die scheiding heeft echt alleen maar negatieve gevolgen waarvan jij er hier eentje noemt, namelijk dat als je slim genoeg bent voor het theoretische onderwijs je vanzelf op de universiteit terecht komt, omdat het zonde van je talent is om “af te stromen” naar het hogere beroepsonderwijs.
      Hier moeten we het over hebben, en niet alleen binnen de universitaire gemeenschap. Floris Cohen schreef een aardig boekje, *De ideale universiteit*, waarin HBO en universiteit in gezamenlijkheid als één instelling functioneren, de WHBO. We hebben daar binnen het Radboud TLC al een inspiratielunch aan gewijd (nog voor Coronatijd), en zullen zeker op dit thema blijven terugkomen.

  3. Jan Bransen schreef op 21 augustus 2020 om 08:53

    Dank voor de schets van een antwoord, Ludo. Het overtuigt mij niet. Onderwijs kan een democratiserend effect hebben, dat wel. Maar het nivellerende effect dat je suggereert, moet toch heel anders beschreven worden. Het is een *verheffend* effect geweest. Dat was ook de ambitie aan het begin van de twintigste eeuw van degenen die de maatschappelijke ongelijkheid wilden bestrijden. Maar dat heeft een treurige keerzijde. Het onderwijs heeft sociaal *klimmen* mogelijk gemaakt, maar klimmen kan natuurlijk alleen als je de ladder in stand houdt. En dat is wat gebeurt. Het onderwijs draagt daarmee feitelijk vooral ook bij aan het in stand houden van *hoog* en *laag*. We spreken tegenwoordig van hoog- en laagopgeleiden alsof het natuurlijke soorten zijn. Maar dat zijn het natuurlijk niet, net zo min als vroeger de standen natuurlijke soorten waren. Onze huidige hoog- en laagopgeleiden zijn producten van ons onderwijsstelsel.
    Natuurlijk gaan echte stelselwijzigingen – en zeker ook de daarmee noodzakelijk gepaard gaande maatschappelijke herzieningen – jaren en jaren duren. Dan is het goed om in de tussentijd te investeren in goed onderwijs. Mee eens. Maar juist dat kan heel goed gepaard gaan met het verminderen van het aantal studenten op de universiteiten. Goed onderwijs vraagt namelijk om het drastisch doorbreken van de scheiding tussen theoretisch en praktisch. Daarin kunnen de universiteiten nog een heleboel leren van de hbo’s. Misschien kunnen we daarmee beginnen.

    • Ludo Schoenmakers schreef op 24 augustus 2020 om 20:37

      Ik denk niet dat ik het punt van de eerste alinea begrijp. Je lijkt het verheffende effect van hoger onderwijs te onderschrijven, maar je lijkt ook te suggereren dat de huidige klassenmaatschappij een product is van die verheffing. Maar dat is aantoonbaar onwaar. De groep die er sociaaleconomisch beter vanaf is – dus zowel in materiële zin als wat status betreft – is zeker gegroeid. Dat is de genoemde verheffing (of emancipatie, zo je wilt). Maar de scheve verdeling van middelen en macht tussen de ‘hoge’ en ‘lage’ klasse bestaat zo ongeveer sinds het begin van de neolithische revolutie. De universiteit speelt een rol in de instandhouding daarvan, maar de emancipatie van het universitair onderwijs is niet de oorzaak daarvan. Hooguit heeft hoger onderwijs het karakter van de klassenmaatschappij veranderd doordat er een veel grotere middenklasse is ontstaan. Dit is belangrijk om te beseffen, omdat het voorkomt dat de bijdrage van de inrichting van ons onderwijsstelsel aan deze ongelijkheid wordt overschat. Het draagt bij aan de misvatting dat ‘lager’ opgeleiden vooral kampen met een tekort aan respect van de ‘hoger’ opgeleiden. Dat is niet volledig onwaar, maar ik denk dat ‘lager’ opgeleiden vooral kampen met een tekort aan middelen en (democratische) macht. (De ‘hoger’ opgeleiden hebben hier ook mee te kampen, maar de nood is minder hoog doordat ze relatief rijk zijn.) Herinrichting van het onderwijsstelsel is niet voldoende om dit te veranderen.

      Volgens mij mist de tweede alinea een mechanisme. Ik stel dat het verminderen van het aantal studenten aan de universiteit – iets wat ik persoonlijk niet per se voorsta – sowieso een kwalijke zaak is totdat het onderwijsstelsel zodanig is ingericht dat de relevante taken van de universiteit (nivellering, democratisering, kritische burgers) voldoende kunnen worden overgenomen. Om het meest simpele voorbeeld te geven: werknemers zullen altijd de mogelijkheid aangrijpen om iemand met een hbo-opleiding minder te betalen dan iemand met een vergelijkbare WO-opleiding. Zonder verdere maatregelen om dit te veranderen of te voorkomen haalt jouw voorstel letterlijk geld uit de portemonnee van afgestudeerden. Als je stelt dat investeren in het onderwijs zoals ik voorstel “heel goed gepaard [kan] gaan met het verminderen van het aantal studenten op de universiteiten” dan ben je de lezer denk ik een mechanisme verschuldigd. Het doorbreken van het onderscheid tussen ‘theoretisch’ en ‘praktisch’ is daar niet voldoende.

  4. Kristin schreef op 21 augustus 2020 om 10:09

    Ik ben het met Ludo’s artikel eens. We kunnen geen kant op met onze dromen – het is alleen maar branden blussen. En daarnaast is de boodschap nog steeds: Je moet vooral een top wetenschapper zijn, doe je onderwijs maar low-key….

    Ik ben ook, net als Jan, voor minder studenten. We leiden op tot academisch denken en onderzoeken, en maar een klein deel van de studenten die hier zijn zitten daarop te wachten. Wat prima is, want we kunnen niet alleen maar wetenschappers hebben in de wereld. Laat ze praktische dingen leren op een hogeschool of in een beroepsopleiding. En ik kan dan onderwijs geven aan studenten wiens ogen gaan blinken van hoe boeiend wetenschap is.

    • Jan Bransen schreef op 21 augustus 2020 om 13:15

      Ik ben het wat die dromen en het branden blussen betreft overigens helemaal eens met Ludo en Kristin. De overbelasting van onze docenten is realiteit die we onder ogen moeten zien. Daar zijn allerlei mogelijke reacties op, waarvan mijn pleidooi voor minder studenten er maar eentje is.
      Wat ook een realiteit is die we veel hartstochtelijker moeten bestrijden, is die impliciete boodschap die nog overal in de universiteit tussen alle bedrijven door galmt: ben een top onderzoeker, doe je onderwijs low-key. Voor een belangrijk deel ontleent het Radboud TLC zijn bestaansrecht aan het bestrijden van deze boodschap. Ik gebruik overigens met nadruk het woord ‘onderzoeker’ in plaats van het woord ‘wetenschapper’ in mijn formulering van deze te bestrijden boodschap. Want het is mijn stellige overtuiging dat een wetenschapper alleen maar een *topwetenschapper* zal kunnen zijn als z/hij haar/zijn onderwijs absoluut prioriteit zal willen geven. Maar dat is weer een andere discussie (die ik overigens graag voer).

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een directe, dagelijkse of wekelijkse update met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands
Verzonden!