Babyhersenen onder de loep

09-02-2018

Baby’s met een verhoogd risico op autisme vertonen al andere hersenactiviteit als ze pas vijf maanden oud zijn. Dat laat psycholoog Ricarda Braukmann van het Donders Instituut zien in onderzoek waarop ze vandaag promoveert.

Asperger, PDD-NOS, klassiek autisme – allemaal vormen van autisme die onder de noemer Autisme Spectrum Stoornis (ASS) vallen. Psycholoog en neurowetenschapper Ricarda Braukmann onderzocht of je al tekenen van ASS kunt waarnemen in hersenen en gedrag van baby’s vanaf vijf maanden oud. Vanmiddag verdedigt Braukmann het proefschrift over haar onderzoek, dat ze uit voerde bij het Donders Instituut en het Baby & Child Research Center.

Zebra

Met het onderzoek probeerde Braukmann te begrijpen wat er in de vroege ontwikkeling gebeurt bij kinderen die een ASS-diagnose krijgen. ‘De diagnose ASS wordt nu gesteld op basis van gedragskenmerken, zoals afwijkend sociaal gedrag. Je moet dan denken aan weinig oogcontact maken, repetitief gedrag en een achterliggende taalontwikkeling. Dat kan pas goed als kinderen drie, vier jaar oud zijn. Als we snappen wat er bij hen in de vroege ontwikkeling gebeurt, als ze nog een baby zijn, en hoe dat verschilt tussen individuen, kunnen we ze hopelijk eerder en gerichter behandelen.’

‘We kunnen de verschillen tussen risicogropen al vroeg in de ontwikkeling vaststellen’

Ze vergeleek hiervoor twee groepen baby’s tussen de tussen de vijf en veertien maanden oud, één met een verhoogd risico om later de diagnose ASS te krijgen, en één groep met een laag risico. ‘De hoogrisico-baby’s hebben een oudere broer of zusmet ASS. Uit erfelijkheidsonderzoek weten we dat er dan 10 tot 20 procent kans is dat een volgend kind ook de diagnose ASS krijgt. Normaal is dat maar ongeveer 1 procent.’

Ricarda Braukmann. Foto: Lennard Heijer

Braukmanns onderzoek maakte deel uit van een groter en langlopend project, het Zebra-project. Hierin werken psychologen, hersenonderzoekers en behandelaars uit Nijmegen en Utrecht samen om meer inzicht te krijgen in de vroege ontwikkeling van ASS.

In een van haar experimenten liet Braukmann de baby’s naar video’s kijken waarin een vrouw kiekeboe of een ander handspelletje deed. Ondertussen mat ze de hersenactiviteit van de baby’s met een soort hoofdbandje dat het zuurstofgehalte in de hersenen bepaalt, de fNIRS-techniek.

Volwassenen met ASS laten in dit soort experimenten veel minder activiteit zien in een hersengebied dat sociale informatie verwerkt. Braukmann zag nu precies hetzelfde bij de groep baby’s met een verhoogd risico op ASS. ‘Zij lijken sociale stimuli dus ook al anders te verwerken.’

Eerder behandelen

Toch betekent dit nog niet dat we ASS nu al veel eerder kunnen gaan behandelen, waarschuwt Braukmann. ‘Zover is het helaas nog niet. Zo moeten we bijvoorbeeld de link tussen deze vroege kenmerken en een latere diagnose nog vaststellen.’

De baby’s van Braukmann hadden immers weliswaar een verhoogd risico op ASS, maar wie van hen uiteindelijk de diagnose krijgt, en wie niet is pas over een paar jaar duidelijk, als de kinderen ouder zijn. ‘We weten nu alleen dat ze als groep andere hersenactiviteit hebben dan laagrisico-baby’s. Ons vermoeden is dat baby’s die later een diagnose krijgen de sterkst afwijkende hersenactiviteit hebben. De andere baby’s uit deze hoogrisico-groep zullen dat minder hebben, maar steeds meer in vergelijking met de laagrisico-groep, denken we.’

‘Ik vind het belangrijk iets te kunnen doen wat nuttig is’

Mochten de voorspellingen uitkomen, dan biedt dit perspectieven voor diagnose en behandeling op maat. ‘Het zou betekenen dat we met hersenmetingen veel beter de individuele verschillen binnen ASS kunnen vaststellen.’

Maar ook nu al is het onderzoek geslaagd, zegt Braukmann. ‘We hebben meer inzicht in de verschillen tussen risicogroepen, en later dus hopelijk ook tussen individuen. Bovendien kunnen we deze verschillen al heel vroeg in de ontwikkeling vaststellen.’

Ook op persoonlijk vlak is ze tevreden over haar promotieonderzoek. ‘Ik vind het belangrijk iets te kunnen doen wat nuttig is en dicht bij de maatschappij staat. Dit onderzoek, tussen de fundamentele neurowetenschappen en de klinische praktijk in, was wat dat betreft ideaal. Maar ik vond het contact met de ouders en kinderen ook gewoon heel leuk. Bijvoorbeeld als ouders vertellen dat ze jaren later het slabbetje nog steeds gebruiken dat ze bij hun eerste bezoek aan ons lab cadeau hebben gekregen.’

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!