Bètafaculteit zet vaart achter onderwijsvernieuwing

14-02-2018

Een dik jaar nadat de bètafaculteit op papier zette dat het onderwijs op de schop moest, is al een hoop veranderd. Vakken zijn samengevoegd, de onderwijsperiodes zijn korter en docenten experimenteren met nieuwe werkvormen.

Alle opleidingen binnen de bètafaculteit zijn afgelopen september een onderwijspilot gestart. Steeds in het eerste studiejaar. Binnen de faculteit zijn bij wiskunde, natuur- en sterrenkunde tot nu toe de grootste aanpassingen doorgevoerd. In de jaarlijkse studentenenquête klaagden studenten van die studies nogal eens over studiedruk en is het dus zaak werk te maken van het vergroten van de studeerbaarheid, verklaart onderwijsdirecteur Peter Christianen.

Want dat is het belangrijkste doel van de veranderingen: de studiedruk verlichten voor studenten. Het onderwijsprogramma van de bèta’s is de afgelopen twintig jaar langzaam maar zeker te vol geworden. Het grote aantal vakken bracht wel erg veel tentamens en hertentamens met zich mee. Voor studenten die halverwege achterliepen, was het programma moeilijk weer in te halen. Docenten hadden wel erg veel nakijkwerk en ook de roostermakers hadden grote moeite alles in werkweken te proppen. ‘Heel wat hertentamens moesten noodgedwongen in de avonduren en de vakantie worden gepland.’

Platte zalen

Inmiddels is het aantal vakken verminderd, vooral door vakken te combineren die toch al over hetzelfde onderwerp gaan. Vier inleidende wiskundevakken zijn bijvoorbeeld samengevoegd tot twee vakken. Van twee natuurkundevakken (elektriciteit en magnetisme) is er een gemaakt. In plaats van twintig vakken volgen de eerstejaars er nu dertien.

Ook de onderwijsperiodes zijn korter: zeven weken in plaats van acht. In de onderwijsluwe week die nu resteert, kunnen studenten hun practica verslagen afmaken en responsiecolleges volgen. ‘Zodat ze goed voorbereid aan het tentamen kunnen beginnen.’

‘Je merkt dat er een grote honger is bij docenten naar informatie over nieuwe manieren waarop ze hun onderwijs kunnen inrichten’

Maar de meest zichtbare verandering is de vorm waarin het onderwijs wordt gegeven. Docenten experimenteren met activerend onderwijs, ook in het hoorcollege. Soms vereist dat andere collegezalen: platte zalen waarbij studenten in groepjes kunnen werken en zich niet in allerlei bochten hoeven te wringen om nog een glimp op te vangen van de docent. Waar je dus rondom projectiemogelijkheden hebt.

Een deel van de Active Learning Room in het Elinor Ostromgebouw. Foto: Martine Zuidweg

 

Van die aangepaste collegezalen zijn er nu een paar, vertelt Christianen. Twee zalen in het Huygensgebouw zijn ingericht naar het voorbeeld van de twee Active Learning Rooms in het Elinor Ostromgebouw (zie foto).

Praktijk

Om elkaar te inspireren is een faculteitsbrede werkgroep uit de grond gestampt: de Adviesgroep Docenten Onderwijsinnovatie (ADO). Daarin informeren docenten van de verschillende opleidingen elkaar over hun ervaringen met de onderwijsinnovaties die ze doorvoeren. Er zitten ook studenten in de werkgroep en twee onderwijsadviseurs.

Biofysicus Richard van Wezel, voorzitter van de werkgroep: ‘Twee jaar geleden hebben we afgestudeerden middels een enquête gevraagd in hoeverre ze vinden dat ons onderwijs aansluit bij de praktijk. Onze opleidingen bleken vakinhoudelijk wel goed aan te sluiten, maar de alumni zijn in hun werk veel meer bezig met projectmatig werken dan wij in het onderwijs. Dat was voor ons het startsein om ook in de collegezalen vaker in projectgroepen te gaan werken.’

Honger

Maar de faculteit wil docenten niet opleggen hoe ze hun colleges geven. ‘De veranderingen zijn bottom-up gedreven’, zegt Van Wezel. Dat betekent overigens niet dat er weinig gebeurt. ‘Je merkt dat er een grote honger is bij docenten naar informatie over nieuwe manieren waarop ze hun onderwijs kunnen inrichten.’

In maandelijkse lunchbijeenkomsten of colloquia staan goede voorbeelden centraal. De eerste bijeenkomst, in januari, werd druk bezocht. Op de volgende bijeenkomst (19 maart) zal natuurkundedocent Nicolo de Groot vertellen over de nieuwe inrichting van zijn hoorcolleges lineaire mechanica. De Groot koos ook een activerende werkvorm. Zijn inspiratiebron is Robert Beichner van North Carolina State University, wil hij alvast kwijt.

3 reacties

  1. bla schreef op 14 februari 2018 om 09:43

    Peter Christianen is onderwijsdirecteur van het instituut van Wiskunde, Natuurkunde en Sterrenkunde, niet van de hele faculteit.

  2. Bèta schreef op 14 februari 2018 om 09:46

    Belangrijke aanleiding van deze “verbeteringen” (heb de evaluaties nog niet gezien – maar dat een pilot een succes wordt is meestal vooraf bepaald) van de studielast is dat twee jaar geleden de BSA-verhoging op de Bètafaculteit is afgewezen, mede door de slechte studeerbaarheid.

  3. Martine Zuidweg schreef op 14 februari 2018 om 11:12

    Klopt, die functie van Peter Christianen. Daarom staat hij ook bij de alinea over de aanpassingen van wiskunde, natuur- en sterrenkunde.

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een dagelijkse of wekelijkse nieuwsbrief met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands