Zomerinterview (2): Lotte Jensen

05-07-2016, 11:30

Foto's: Thomas Tolstrup

Hoezo is de universiteit beter af met Engelstalige bachelors? Lotte Jensen, hoofddocent Nederlandse letterkunde, gelooft er niets van. Ze pleit voor het behoud van Nederlandstalige bachelors. En de grap is: ze is Deens.

Koning Willem-Alexander steekt haar zijn hand toe. Lotte Jensen slikt. Dit had ze niet voorbereid. Niet eens een beetje. Alleen een select groepje zou in aanmerking komen voor een onderhoud met de koning. Ze wist natuurlijk wel dat hij op het jubileum van de Maatschappij der Nederlandse Letteren zou zijn, op vrijdag 20 mei, als beschermheer. Maar pfft, een persoonlijke ontmoeting, dat had ze niet verwacht.
Dus. Niet staren. ‘Ik heb college gegeven over de Nederlandse identiteit’, zegt ze tegen de koning, ‘bij de Universiteit van Nederland’. Willem-Alexander, in donkerblauw pak en oranje stropdas, knikt haar toe. Dan volgt een brede grijns. ‘Dan weet u vast dat een bekende Nederlander daar een uitspraak over heeft gedaan?’
Ha ha. Dat weet ze. Natuurlijk. Máxima zei – alweer bijna tien jaar terug – dat dé Nederlander niet bestaat. En ze had gelijk: er zijn Nederlanders in vele soorten en maten. ‘Dan weet u vast ook’, en nu buigt de koning zich naar voren, ‘dat alleen buitenlanders een uitspraak mogen doen over de Nederlandse identiteit?’
Precies. Van nationalisten houden we niet. Daar heeft ze hem. ‘Ik ben Deens.’

Jordbærtærte
Lotte Eilskov Jensen (44) prikt in een jordbærtærte, een aardbeiengebakje. Locatie: Café Europa, aan de Strøget, de belangrijkste winkelstraat in het centrum van Kopenhagen. Het café kijkt uit op een kerktoren met in de spits een handvol Deense vlaggen, rood met een wit Scandinavisch kruis, de oudste nationale vlag ter wereld. We zijn op weg naar het huis van oma, farmor, want zo noemen de Denen de moeder van vader (niet te verwarren met morfar, dat is de vader van moeder). Het huis staat in de Trondhjemsgade, in het Amsterdam-Zuid van Kopenhagen, op nog geen tien minuten lopen van de kleine zeemeermin.
De wandeling kriskras door Kopenhagen moet antwoord geven op de vraag waarom dé pleitbezorger voor het behoud van de Nederlandse taal op de Nijmeegse campus nu juist een Deense is. Want als iemand het opneemt tegen het universiteitsbestuur, dat veel meer Engelstalige bachelors wil, is het Lotte Jensen wel. Ze gaat de strijd aan in debatten, schrijft opiniestukken. De strekking is steeds: dat we Engels gebruiken in wetenschappelijke publicaties is prima, maar laat de opleidingen Nederlands. Want docenten geven beter college in hun eigen taal en afgestudeerden komen doorgaans op de Nederlandse arbeidsmarkt terecht.

Ik ken geen volk dat zo trots is op zichzelf als de Denen.

Heel blij is hij dat de universiteit komend studiejaar het aanbod van Engelstalige bachelors uitbreidt van twee naar acht, zei collegevoorzitter Gerard Meijer afgelopen november voorafgaand aan een debat met Jensen. En hij houdt er graag de vaart in: wat hem betreft is over vijf jaar de helft van de bacheloropleidingen Engelstalig.
Ze was wel nerveus voor het debat, herinnert Jensen zich. Meijer is niet alleen de baas van de universiteit, maar ook in veel opzichten haar tegenpool: een echte bètaman, een van de harde cijfers. Maar ze was goed voorbereid. Daar zorgt ze wel voor bij dit soort gelegenheden. ‘Ik vond zijn verhaal niet echt overtuigend. Heel defensief. Hij benadrukte steeds dat deze verandering nieuwe studenten op gaat leveren. Maar hoe zit het dan met de kwaliteit van ons onderwijs?’

Trots
Tien maanden was Lotte Jensen toen ze met haar tweelingzus Stine (intussen bekend als filosoof, schrijver en tv-maker) en haar moeder naar Nederland reisde. Vader had al een begin gemaakt met zijn nieuwe baan bij het Europees centrum voor ruimtevaartonderzoek ESTEC. In hun huis in Oegstgeest creëerden vader en moeder Jensen een klein Denemarken. Een Deense au pair ontfermde zich over de tweeling en thuis werd alleen Deens gesproken. Ook toen de tweeling naar school ging, zagen mor en far erop toe dat hun Deens op peil bleef. Taalfouten konden de meisjes zakgeld kosten.
Elke zomer vloog de tweeling met een kaartje om de nek naar Kopenhagen. Daar stond farmor de meisjes op te wachten, twee Deense vlaggetjes in de hand. Vier weken lang klonk het dan van ‘Velkommen’, ‘Goddag’ en ‘Vi ses!’. Waarna de tweeling bij thuiskomst weer vloeiend Deens sprak.20160526_H1I8402

Haar Deens is niet meer wat het was, zegt Jensen in Café Europa in vlekkeloos Nederlands. Maar ze heeft nog altijd een Deens paspoort. En ze staat de obers in Kopenhagen zonder hakkelen te woord, al weet ze dat haar Deens niet het hunne is. ‘Ik spreek het Deens van mijn oma. Een soort Polygoonjournaal-Deens.’ Ze bezoekt Kopenhagen nog regelmatig om haar vader op te zoeken, die na zijn pensioen met zijn nieuwe vrouw is teruggegaan. Farmor is op 97-jarige leeftijd gestorven, maar voor Lotte ademt Kopenhagen ook nu nog de geest van haar grootmoeder.
Neem de aardbeien in het taartje voor haar op tafel. Of het nu aardbeien waren, of aardappels, of raapstelen, oma kocht alleen Deense producten. Want waarom zou je – als je eigen land zo veel kwaliteit voortbrengt – eten van elders halen? Oma was geen uitzondering. Denen zijn trots op hun design, hun filmcultuur, hun mentaliteit waarbij vertrouwen in elkaar en een positieve levensinstelling de norm is. ‘Ik ken geen volk dat zo trots is op zichzelf als de Denen’, zegt Jensen lachend.

Vondel is prachtig, waarom zijn Nederlanders niet trots op zo’n dichter?

We lopen rondjes in een toren die we – niet toevallig – op ons pad troffen. In de voetsporen van Jensens oma die in dit gebouw, een voormalig sterrenwacht, zo’n dertig jaar geleden de tweeling naar de top bracht. Boven is het uitzicht groots: torenspitsen van kastelen en paleizen van de vele Christians en Frederiks die de twee koninklijke families voortbrachten, parken en tuinen met meertjes, het blauw van de Sont. ‘Kijk, daar ligt het eiland Ven’, wijst Jensen in de verte. ‘Daar heeft de Deense astronoom Tycho Brahe zijn sterrenwacht gebouwd. Naar hem hebben we de jongste van onze twee zonen genoemd.’
Jensen studeerde Nederlandse letterkunde en filosofie aan de Universiteit Utrecht, volgens het credo dat haar oma haar voorhield: “Je moet het uiterste uit je studie halen, want het is een voorrecht dat je mag studeren.” Farmor had altijd Frans willen studeren, maar ze werd geacht voor het gezin te zorgen. Haar man had als generaal in het Deense leger zijn handen vol. Als stilzwijgend protest lag bij haar thuis altijd een Frans boekje – Lettres de mon Moulin van Alphonse Daudet – open op tafel. ‘Ik zie het nóg liggen.’
Jensen slaagde cum laude voor Nederlands; haar filosofiescriptie werd integraal gepubliceerd in het tijdschrift voor de geschiedenis van de wijsbegeerte.

Vondel
We passeren een rijtje feloranje huizen. Een bus met Deense vlaggetjes voorop rijdt voorbij. De kroonprins is jarig, horen we later.
Nederlanders zijn geen trots volk, niet zoals de Denen. ‘Ik vind het onbegrijpelijk dat er niet meer aandacht is voor de Nederlandse taal in Nederland. Vondel is prachtig, waarom zijn Nederlanders niet trots op zo’n dichter? Engelsen komen er toch ook rond voor uit dat Shakespeare de grootste dichter aller tijden is? Er zijn momenteel meer studenten Nederlands in het buitenland dan in Nederland zelf. Dat is toch raar!’

Ga zelf maar eens in het buitenland wonen. Dan merk je pas aan welke Nederlandse gewoontes je gehecht bent.

Jensen krijgt prijzen (zoals een gouden erepenning van de Teylers Stichting voor de studie waarin ze aantoont dat Nederlanders in de Franse tijd wél verzet boden tegen Napoleon) en subsidies (een Vidi-subsidie van wetenschapsorganisatie NWO waarmee ze haar project Proud to be Dutch, over de Nederlandse identiteit, financiert). En ze timmert in wetenschapsland aan de weg: ze is net benoemd tot vice-voorzitter van de Jonge Akademie, de nationale denktank van jonge topwetenschappers.
De drive is er, zo veel is duidelijk. En ze heeft een punt wanneer ze zegt dat de meeste docenten op de Nijmeegse campus niet klaar zijn om in het Engels college te geven én als ze zegt dat studenten doorgaans in Nederland gaan werken. Maar achter haar pleidooi gaat ook het verhaal schuil van iemand die aan den lijve heeft ondervonden hoe het voelt om los te zijn van je wortels. ‘Ga zelf maar eens in het buitenland wonen. Dan merk je pas aan welke Nederlandse gewoontes je gehecht bent.’
Immigranten hebben dat vaker, merkt ze: dat besef van de waarde van de eigen achtergrond. Ze hechten nog meer aan hun afkomst dan de inwoners in hun moederland. En Denen zijn al zo trots, laat staan de Denen in het buitenland, lacht Jensen. Taal is belangrijk. Want: bij uitstek een instrument om de nationale identiteit te laten zien. ‘Wij spraken thuis alleen maar Deens en niet omdat we niet anders konden. De taal gaf ons een band met het moederland.’

Dé Nederlander bestaat niet, maar er is wél zoiets als een collectieve identiteit

Jensen weet als geen ander dat taal niet alleen een communicatiemiddel is, maar ook een rol speelt bij wie je bent. In haar onderzoek komt dat terug. Ze analyseerde gedichten, pamfletten en toneelstukken die werden geschreven tijdens keerpunten in de Nederlandse geschiedenis: rampen, oorlogen en vredesbesprekingen. Lofdichten op helden als Michiel de Ruyter, Willem van Oranje en Joost van den Vondel, die laten zien: hier spreekt een gevoel van Nederlanderschap. Zie ook De Hollandsche natie van Jan Frederik Helmers, een gedicht dat hij publiceerde tijdens de Franse inlijving (1812). Geschreven als verzetsgedicht en bedoeld om het Nederlanderschap te beschermen tegen de invasie van Fransen.

Dé Nederlander bestaat niet, maar er is wél zoiets als een collectieve identiteit, weet Jensen. En taal speelt daarbij een grote rol. Een bestuurder die de politici, managers en docenten van de toekomst opvoedt in het Engels, miskent de meerwaarde van taaldiversiteit. Die moet je tegenhouden.20160526_H1I8299

Nummer 4. Hier was het huis van farmor. Jensen kijkt omhoog. Naar het appartement op de vierde etage. Een ouderwetse lift bracht je boven, naar waar het ruim en gezellig was. Je kon nog net een glimp opvangen van de statige huizen van de ambassades aan de overkant. ‘We hebben hier goede tijden gehad’, zegt ze zacht.
Van hieruit bezochten ze de vele parken in de stad, pakten een film of renden door pretpark Tivoli naast Rådhuspladsen. Aten ze na afloop een gammeldags isvaffel, een Deense lekkernij van ijs met een flødebolle bovenop, eiwitschuim met chocolade.

‘De Nederlandse taal mag niet verloren gaan!’

Een eigentijdse Helmers, zo zou je Jensen kunnen noemen. ‘Omdat ik natuurlijk op mijn hoede ben voor ontwikkelingen die naar een te grote verengelsing gaan. En ik vind ook echt dat er mensen moeten zijn die het Nederlandse erfgoed verdedigen. Het belang van taaldiversiteit überhaupt. Het voelt inderdaad een beetje als Helmers die opstond tegen de Fransen en zei: “De Nederlandse taal mag niet verloren gaan!”
We lopen in de richting van Nyhavn, het kanaal naar de haven van Kopenhagen, met zijn kleurige huizen op beide oevers. Jensen grinnikt. ‘Ik kan dit soort dingen als Deense net iets makkelijker roepen dan een Nederlander. Een Nederlander loopt het risico om als nationalistisch weg te worden gezet.’

‘Hej far!’ Daar zit, in Nyhavn, plots de vader van Lotte Jensen op een bankje in de zon. ‘Ik vermoedde al dat jullie hier in de buurt zouden zijn’, zegt vader Niels in Nederlands met een sterk Deens accent. Op het terras liggen rood-witte kleedjes op tafel. Grijze dekens hangen over de stoelen. ‘Skål!’, zegt far boven zijn biertje. Hij lacht als zijn dochter hem de anekdote vertelt over haar ontmoeting met koning Willem-Alexander. Nou, daar heb jij een mooie opening voor je verhaal, knikt hij de journalist toe: ‘Alleen buitenlanders mogen over de Nederlandse identiteit praten. Alleen Lotte dus en hoe heet ze… Máxima. Ha!’

Dit verhaal verscheen in Vox #9, die je hier online kunt lezen

1 reactie

  1. Hubert van Lier schreef op 12 augustus 2016 om 10:30

    Ik wil Lotte Jensen gelukwensen voor haar inzet voor onze taal. Het is immers ons belangrijkste culturele erfgoed. Het verwondert me trouwens steeds dat de leiding van de universiteit zo weinig zelfrespect opbrengt voor onze moedertaal. Rawls zegt in zijn boek:’Een theorie van rechtvaardigheid’ : ‘dat zelfrespect ons hoogste goed is.’

Geef een reactie