Knelpunten in financiering hoger onderwijs veranderen? Dat gaat nog moeilijk worden

26 mrt 2026

De politiek wil de financiering van het hoger onderwijs aanpassen, maar hoe? Wetenschapsgenootschap KNAW zette alvast de knelpunten van het huidige systeem online.

Jaarlijks verdeelt het ministerie van Onderwijs miljarden euro’s onder hogescholen en universiteiten. Daarbij kijkt het onder andere naar het aantal studenten. Meer studenten betekent meer geld.

Dat is leuk als je groeit, maar wat doe je bij krimp? Met die vraag loopt het hoger onderwijs al een paar jaar rond. Want het aantal studenten daalt. Kan het hoger onderwijs na jaren van onstuimige groei een periode van krimp aan?

In Den Haag schrikken sommige partijen van de eerste gevolgen. De instellingen ontslaan personeel, schrappen kleine opleidingen en ontmantelen onderzoeksgroepen. En dan is de krimp pas net begonnen.

Ligt dat aan het bekostigingssysteem? Wat zijn de haken en ogen ervan? En gaat de politiek de problemen oplossen?

Wetenschapsgenootschap KNAW maakte een analyse van de knelpunten in de bekostiging, in de aanloop naar een advies later dit jaar. Het systeem veranderen gaat nog lastig worden, blijkt uit die analyse.

1. Historische willekeur

Soms is het systeem wat onnavolgbaar. Universiteiten krijgen bijvoorbeeld een zogeheten ‘vaste voet’. Een deel van het landelijk beschikbare budget wordt volgens vaste percentages over de instellingen verdeeld. De TU Delft krijgt 14 procent, Wageningen 7,9 procent en Maastricht 4,8 procent. Waar die percentages vandaan komen, heeft de KNAW niet kunnen achterhalen.

Ook voor hogescholen staan dergelijke vaste voet-percentages in de wet. Er zijn twee keer zoveel hogescholen dus de percentages zijn lager, maar ook hier lopen ze sterk uiteen: Fontys krijgt bijna negen procent, de hogescholen uit Rotterdam en Groningen zes en Avans vijf procent.

Gaat de politiek dit veranderen? De KNAW geeft nog geen advies, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat eraan gemorreld gaat worden. Deze verdeling van de ‘vaste voet’ gaat terug tot vóór de jaren 80. Je kunt die percentages overhoophalen, maar dan krijg je veel onderlinge kinnesinne en daar zit waarschijnlijk niemand op te wachten.

2. Meer studenten, evenveel onderzoeksgeld

Onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zijn verweven, zeggen de KNAW en de universiteiten: je wilt dat studenten les krijgen van onderzoekers. Komen er meer studenten, dan moet het budget voor onderzoek ook omhoog, is hun redenering.

Dat gebeurt niet: terwijl de afgelopen jaren het aantal studenten en verstrekte diploma’s flink groeide, steeg het onderzoeksbudget voor universiteiten niet mee. Het onderwijsbudget steeg wel mee.

Gaat de politiek dit veranderen? Daarvoor zou een smak extra onderzoeksgeld nodig zijn, dus dat lijkt onwaarschijnlijk. Bovendien zou het aantal studenten dan bepalen hoeveel onderzoek er wordt gedaan en dat miskent de waarde van onderzoek los van het onderwijs. De politiek gaat hier vermoedelijk zijn vingers niet aan branden.

3. Internationale studenten

Opvallend afwezig in de KNAW-analyse zijn de budgettaire gevolgen van de groeiende groep internationale studenten. Die hebben de universiteiten de afgelopen decennia veel geld opgeleverd en zijn door hun enorme aantallen inmiddels een factor op zich geworden.

In 2010 studeerden er in het universitaire onderwijs zo’n 24 duizend buitenlandse studenten. In 2024 waren het er vier keer zoveel: 93 duizend, ruim een kwart van de universitaire studentenpopulatie. Dat heeft voordelen voor de instellingen.

Europese studenten worden gewoon bekostigd door de overheid, net als Nederlandse studenten. Ze studeren ook nog eens sneller af en dat is goed voor de financiën. De niet-Europese studenten betalen een hoog ‘instellingstarief’, dus daar maken de instellingen ook geen verlies op.

Gaat de politiek dit veranderen? Het vorige kabinet wilde de komst van buitenlandse studenten beteugelen, vooral in de bacheloropleidingen. Het nieuwe kabinet breekt met die koers, maar je weet niet hoe het in de toekomst gaat. De koele waarheid: wel of geen buitenlandse studenten is voor het hoger onderwijs waarschijnlijk van veel grotere invloed dan een wijziging van het bekostigingssysteem.

4. De rol van bestuurders

De opstellers van de KNAW-analyse schrijven dat het bekostigingssysteem “nadelige gevolgen” heeft voor opleidingen met veel langstudeerders of dubbelstudenten. Daar krijgen ze immers geen bekostiging voor. Ook kleine opleidingen zouden het zwaar hebben in het huidige systeem.

Maar dat kun je nuanceren. Hoe gek het systeem ook in elkaar zit, de instellingen krijgen uiteindelijk één groot bedrag op hun rekening, dat ze zelf weer mogen verdelen over hun opleidingen. Er zit dus een buffer tussen de overheid en de opleidingen: het college van bestuur van de hogeschool of universiteit.

Bestuurders kunnen zeggen: deze grote studie krijgt zoveel geld dat we daarmee een paar kleine maar belangrijke opleidingen overeind kunnen houden. Of ze zeggen juist: deze kleine opleiding gaan we opheffen, ook al vindt de politiek dat zonde.

Gaat dit veranderen? De politiek heeft laten zien dat bijvoorbeeld een leerstoel Fries best geregeld kan worden: daar is nu een apart budget voor. Maar moet je dit voor alle afzonderlijke kleine opleidingen in de Tweede Kamer bevechten? Daar heeft niemand tijd voor. Het zou zomaar kunnen dat het nieuwe kabinet een commissie ‘kleine opleidingen’ in het leven roept, die er landelijk over moet beslissen.

5. Het doel was groei

De KNAW legt de vraag op tafel welk doel het bekostigingssysteem precies dient. Ooit was de wens om veel meer mensen naar het hoger onderwijs te krijgen, uit Nederland zelf én uit het buitenland. Dan is een systeem dat groei stimuleert best logisch.

Gaat dit doel veranderen? Groei is in de politiek niet meer het enige dat telt. ‘Hoger’ is niet altijd beter, is het nieuwe mantra. In zijn tijd als D66-minister van Onderwijs lanceerde oud-KNAW-president Robbert Dijkgraaf de waaiergedachte: mbo, hbo en wo vormen geen ladder, maar een waaier. Het een is niet superieur aan het ander. We hebben in Nederland ook veel vakmensen van het mbo nodig.

Foto: Martijn Beekman/Rijksoverheid

Het lijkt een kwestie van tijd voor die waaiergedachte gevolgen gaat hebben voor de financiering van het hoger onderwijs. Het zou zomaar kunnen dat de politiek hier sterker in wil sturen: hoeveel theoretisch opgeleiden hebben we eigenlijk nodig? Misschien komt er, in ruil voor stabielere bekostiging, voor allerlei studierichtingen een maximumaantal studenten, zoals je dat nu ook bij opleidingen als geneeskunde hebt.

6. Toegankelijkheid en selectie

Betalen voor een bepaalde ‘capaciteit’ aan studenten? De universiteiten zien er wel wat in zogeheten ‘capaciteitsbekostiging’ of ‘missiebekostiging’. Ook al is het nog niet uitgewerkt.

We moeten het uiteindelijke advies afwachten, maar de KNAW klinkt vooralsnog minder enthousiast. In Nederland kan nu iedereen die een havo- of vwo-diploma heeft gaan studeren in het hbo of wo. Als je een maximum invoert, moet je massaal gaan selecteren. In het Verenigd Koninkrijk is dat normaal en kan elk jaar een deel van de jongeren dus nergens terecht. Een eerdere werkgroep noemde dat al eens “onwenselijk”, citeert de KNAW.

Gaat de toegankelijkheid veranderen? In de politiek heb je grote voorstanders van selectie in het hoger onderwijs, terwijl anderen waarschuwen voor kansenongelijkheid. Dit gaat ongetwijfeld een rol spelen: wie mag er straks gaan studeren en wie niet? En hoeveel financiering komt er dan? Er moet nog heel wat water door de Rijn voordat hierover een besluit wordt genomen.

7. Werkdruk

Aan de universiteiten, maar ook aan de hogescholen, is de werkdruk een probleem. Met name beginnende onderzoekers hoppen vaak van tijdelijk contract naar tijdelijk contract en moeten vechten voor onderzoeksbeurzen. Maar ook ervaren onderzoekers besteden veel tijd aan het schrijven van onderzoeksvoorstellen waarvan de overgrote meerderheid wordt afgewezen.

Gaat de politiek dit veranderen? De meeste subsidies worden verdeeld door wetenschapsfinancier NWO. De politiek gaat daar vermoedelijk weinig aan doen: het is een manier om het geld aan de ‘beste’ onderzoekers of aan de meest ‘relevante’ onderwerpen te besteden. Dat zal wel zo blijven. Sterker nog, de politiek verzint keer op keer een wetenschapsagenda, sleutelgebied, topsector of groeifonds waar weer tijdelijk geld naartoe gaat.

Bovendien is de wetenschap een soort piramide: er zijn weinig plaatsen aan de top, dus veel onderzoekers moeten hun beste beentje voorzetten om die top te bereiken. Ook dit zal vast niet veranderen in een nieuw systeem.

8. Autonomie

Wie heeft de macht? De kern van de zaak is niet alleen hoeveel geld er naar het hoger onderwijs en onderzoek moet, maar ook wie er bepaalt hoe dat verdeeld wordt. Nu is dat, in principe, het instellingsbestuur.

Gaat de politiek dit veranderen? Je ziet de overheid altijd aan de autonomie van het hoger onderwijs morrelen, ten goede of ten kwade. Steeds wil de overheid weer iets bepalen, bijvoorbeeld dat studenten sneller moeten studeren (langstudeerboete) of dat samenwerking belangrijk is (sectorplannen).

Stabiele financiering klinkt mooi, maar wat is de afruil? Gaat de overheid steeds meer bepalen wat de instellingen moeten doen? Dat is een reële optie.

Leuk dat je Vox leest! Wil je op de hoogte blijven van al het universiteitsnieuws?

Bedankt voor het toevoegen van de vox-app!

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een directe, dagelijkse of wekelijkse update met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands
Verzonden!