Moet je juichen bij een grote voorsprong?

21-04-2017, 08:05

Foto: Bert Beelen

Van 24 tot 26 april vindt in Nijmegen het jaarlijkse Europese sportfilosofencongres plaats. Vox maakt een rondje langs sporters en docenten in het sportcentrum: wat hebben jullie altijd al aan een sportfilosoof willen vragen? Organisator en sportfilosoof Ron Welters geeft antwoord.

Moet je juichen bij een grote voorsprong? (Gabriëla Houben, Hockey, baliemedewerkster Sportcentrum)
‘De vraag is wellicht: mág je juichen als je je tegenstander welbeschouwd vernedert? Goeie vraag, die geregeld terugkomt in de sportfilosofie, om een niet geheel duidelijke reden vooral bij Amerikanen, terwijl die juist geworteld zijn in een hogelijk competitieve annex commerciële sportcultuur. Persoonlijk heb ik een vrij sterke afkeer van het aanstellerige gedoe van de hedendaagse profvoetballers, met hun malle dansjes, kokette gebaartjes en gehijg in de cameralens. Dan liever Willy Brokamp (MVV en Ajax). Die passeerde drie, vier tegenstanders alsof ze er niet stonden, lobde vervolgens in één vloeiende beweging de bal vanaf 20 meter over een verbijsterde doelman, stak een flauw armpje in de lucht en hobbelde vervolgens weer doodgemoedereerd naar de middenstip. Ware superioriteit toont zich in de sportacties zelf, niet in overdreven gejuich. Tegelijkertijd: als je 6-0 voorstaat mag je best proberen er 10-0 van te maken. Fans betalen immers om vermaakt te worden.’

Is prestatiedrang aangeleerd of aangeboren? (Nicole Lamers, procescoördinator Sport en Bewegen HAN)
‘In potentie is die aangeboren, maar je moet er wel voortdurend aan willen werken. Om de Duitse filosoof Peter Sloterdijk te parafraseren: mensen zijn eeuwige oefendieren die er naar streven om op enigerlei wijze ergens goed in te worden. Anno nu is sport een in zwang zijnd medium om die innerlijke drang vorm te geven. We willen ontsnappen uit de horizontale dimensie van alledag. We willen verticaal leven, bergen van de buitencategorie beklimmen. Het mooie van Sloterdijks boek “Je moet je leven veranderen” is dat hij daarin juist laat zien dat ook relatieve minkukels zich op sportief vlak kunnen manifesteren. Neem mijn eigen obsessie, de duursport. Daar hoef je motorisch helemaal niet erg begaafd voor te zijn. Natuurlijk moet je een zekere aanleg hebben, maar noeste arbeid en domweg stug doorgaan is zeker zo belangrijk.’

Kun je vermoeidheid uitschakelen? (Bram Ruber, squasher)
‘Ja, tot op zekere hoogte, maar er zit een grens aan de tegenwoordig zo in zwang zijnde slogan “willen is kunnen”. Je kunt willen wat je wil, maar de menselijke fysiologie heeft zo zijn begrenzingen. De wil is niet autonoom, maar veeleer een bijproduct van het lichaam. Ook hier raad ik hiervoor genoemde boek van Sloterdijk aan. Hij heeft het over de zegeningen van supercompensatie: na een periode van bijna totale uitputting regenereer je zienderogen en kun je met frisse moed de wereld weer aan. Of sla anders William James’ prachtige (en makkelijk gratis te downloaden) “The energies of man” er eens op na. Daarin bezingt hij scherp en eloquent de zegeningen van het ervaren van een “second wind”, een tweede adem. Volgens hem moeten we tot het gaatje gaan om die te mogen smaken. Het boekje is in zekere zin een lofzang op de “strenuous mood”, het lijdende maar voldoening schenkende leven van de stoempende wielrenner.’

In hoeverre draagt competitief sporten bij aan het ontwikkelen van een ego? (Arnout Helwig, judoka)
‘Een krachtiger ego, zul je bedoelen, want een ego hebben we allemaal, al is het nog zo miezerig. Sport kan daar zeker aan bijdragen. Daar is ook helemaal niks mis mee, zolang je maar niet doorslaat. De juiste maat, daar gaat het om. Of om de deugdethiek van Aristoteles aan te halen: moed is het juiste midden weten te vinden tussen lafheid en overmoed. De eminente Japanse sportwijsgeer Takayuki Hata, die ook op de conferentie is, kan hier een mooie boom over opzetten, en vervolgens nog eens moeiteloos doorschakelen naar de fenomenologie van het sportende subject ook.’

Wanneer kan door het gebruik van (bevorderende) technische en medische middelen niet meer gesproken worden van een menselijke prestatie? (De sportende redacteuren van Vox)
‘De messcherpe Engelse filosoof Mike McNamee zal hier op ingaan tijdens zijn afsluitende keynote. Om alvast een tip van de sluier op te lichten: techniek is mooi, maar mag geen doel op zich worden. Is het wel wenselijk om miljoenen te investeren in technologie? Denk daarbij niet alleen aan schaatspakken en doping maar ook aan op maat gemaakte diëten en dito trainingsprogramma’s die slechts voor de rijke landen zijn weggelegd. We moeten te allen tijde de menselijke maat behouden en niet zwichten voor het argument dat de opmars van technologie in sportland onvermijdbaar is.’

Geef een reactie