‘Om echt iets te veranderen, heb je een lange adem nodig’

08 mei 2018

In de jaren zeventig was Ruud Abma actief in de Nijmeegse studentenbeweging. Later promoveerde hij aan de Universiteit Utrecht op de tegencultuur van de jaren zestig. Ook na zijn pensioen spreekt de cultuurpsycholoog en wetenschapshistoricus nog met het vuur van een bevlogen studentactivist. ‘We laten de universiteiten zomaar verkommeren. Heel jammer is dat.’

In zijn jonge jaren had Ruud Abma (1951) lang haar. Tussen 1969 en 1978 studeerde hij psychologie in Nijmegen, maar zijn echte universiteit was de studentenbeweging. ‘Ik leerde er dat studeren je echt iets kon bieden’, zegt hij.

‘Studentenleiders als Gabriel van den Brink en Paul Scheffer vonden met coaching van Hugues Boekraad en Henk Hoeks (zie kader, red.) van de in 1969 opgerichte Socialistische Uitgeverij Nijmegen (SUN) zelf hun weg in de teksten van Marx, Freud en Foucault. Dat wilde ik ook kunnen.’

Ruud Abma. Foto: Uitgeverij Vantilt.

Natuurlijk werd er in de studentenbeweging ook veel lol gemaakt. Die zat volgens Abma vooral in het creëren van los-vaste, autonome groepen van leeftijdgenoten, zonder officiële leiders. ‘Telkens was er de sensatie van het nieuwe, het onverwachte, het feestelijke. Tegelijk heerste het gevoel dat je echt serieus iets aan het veranderen was. Serieus, maar toch ludiek: een typische Provoterm (naar de Amsterdamse activistische beweging uit de jaren 1960, red).’

De studentenbeweging zou nooit helemaal uit Abma’s leven verdwijnen. Hij wijdde er zelfs een proefschrift aan, al noemt hij dat eerder toeval. ‘De Universiteit Utrecht zocht iemand om jeugdonderzoek in kaart te brengen. Hoe komt het dat jongeren op bepaalde momenten in de geschiedenis een soort leidende rol krijgen toebedeeld in maatschappelijke processen? Ik rekte het onderwerp op tot jongvolwassenen. Zo kwam de studentenbeweging in beeld.’

Waarom werd er in de jaren zestig en zeventig zoveel geprotesteerd?

‘Eigenlijk moet je de vraag omdraaien: hoe komt het dat een periode in de geschiedenis zoveel autonome jongerenacties kent? Op maatschappelijk vlak was er een impasse. Volwassenen vroegen zich af hoe ze moesten omgaan met de versnelde ontwikkelingen in de economie en cultuur. Jongeren dachten: nou, laat het ons maar doen. Aanvankelijk hadden ze geen plan. De hele popcultuur die vanaf 1965 ontstond ging vaak om lol maken, zonder bemoeienis van volwassenen. Dat is ook altijd een belangrijk motief geweest in de studentenbeweging.’

Waren de studentenprotesten onderdeel van een generatieconflict?

‘Eerder van een cultuurconflict dat zich tussen generaties afspeelde. De hippies laten het best zien wat er gebeurde. Ze waren alternatief en streefden naar vrije liefde. Tegelijk gingen ze naar grote concerten en leverden ze zich over aan de popindustrie. Ze hadden romantische idealen maar omarmden de hulpmiddelen van de welvaart, inclusief de anticonceptiepil. Met het creëren van een eigen cultuur zetten ze zich af tegen volwassenen.’

‘Generaties bestaan niet zomaar: ze worden gevormd. Het gebeurt hoogst zelden dat een groep zich representant voelt van een bepaalde generatie en collectief gaat handelen. Dat de studentenbeweging lange tijd zo actief het beeld bepaalde van oppositie binnen de universiteit en de maatschappij, is echt uitzonderlijk.’

Maakten de Nederlandse studenten deel uit van een internationale beweging?

‘Het idee dat je onderdeel uitmaakte van een generatie die het allemaal maar eens even heel anders gaat doen, speelde een rol in de beeldvorming. Studentenleiders zoals Ton Regtien reisden half Europa af. Ze spraken er met de grote studentenleiders, wat hen bij terugkomst meer status opleverde. Maar we moeten die internationale invloed niet overdrijven.’

‘De Nijmeegse studentenbeweging was niet onder één noemer te vangen’

‘De studentenbeweging in Nijmegen was ook niet onder één noemer te vangen. Af en toe stond het plein bij het bestuursgebouw vol protesterende studenten. Tegelijk zouden studenten elkaar met liefde de kop inslaan omdat de anderen Marx op een verkeerde manier interpreteerden (lacht).’

In vergelijking met Parijs en Leuven verliepen de protesten in Nijmegen eerder rustig.

‘De universitaire bestuurders leken goed naar de filosoof Herbert Marcuse geluisterd te hebben. Door sommige studenteneisen in te willigen, trokken ze de angel uit het protest. Studentvertegenwoordigers als Hugues Boekraad en later Paul Scheffer werden uitgenodigd om te overleggen met het college van bestuur. Dat was voor een deel ook bedoeld om ze te paaien.’

‘Provo was voor Nederland heel belangrijk: de ontdekking dat het gezag heel gemakkelijk uit te dagen was. Als we ergens met een spandoek gingen staan, kwam de politie meteen opdagen. Zo leefde het idee dat we heel gevaarlijk waren.’

Bestond de studentenbeweging enkel uit studenten of was er een link met de arbeiders?

‘Voor de marxistisch georiënteerde studenten lag het voor de hand om zich te verbinden met de arbeidersbeweging. Vaak was dat de Communistische Partij Nederland (CPN), soms de Partij van de Arbeid (PvdA) of de Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP). Veel studenten werden lid van de CPN met het idee om die partij van binnenuit te hervormen. Al snel ontstond in de gelederen van de partij verwarring over de te varen koers.’

‘De meest radicale studenten wilden zich bij geen enkele politieke partij aansluiten. Ze stopten met hun studie maar bleven op hun studentenflat wonen. Ze stonden vroeg op om pamfletten uit te delen bij de fabriekspoorten. Het grappige is natuurlijk dat arbeiders nooit over marxisme praten. Het volk zat daar niet op te wachten.’

Waarom hielden de protesten op een bepaald moment op?

‘Een generatie studeerde af. De mensen die achterbleven, konden niet blijven teren op het imago van hun voorgangers. Op een gegeven moment trad er een soort matheid in. Als je jong bent en eisen stelt, dan wil je dat het snel gaat. Maar om echt iets te veranderen, heb je een lange adem nodig. Studenten kregen minder trek om mee te werken aan een lang proces waar ze misschien zelf nooit de vruchten van zouden plukken.’

‘Daarnaast vonden veel studenten dat het echte gevecht in de maatschappij plaatsvond. De universiteit was niet langer het mikpunt, maar leegstand en plannen om grote kantoren te bouwen en achterstelling van vrouwen en homo’s.  Zo ontstonden de kraakbeweging, de feministische beweging en de homobeweging.’

Waarom staan studenten vandaag nog maar zelden op de barricaden?

‘In een bachelor-mastersysteem moeten studenten in drie plus één jaar afstuderen, waardoor de universiteit haast een middelbare school wordt. De universiteit blokkeert in feite alles wat bij studenten een diepgaande eigen analyse zou kunnen opleveren.’

‘Studenten willen vaak geen oppositie voeren, want de studie is een middel om geworden om een goede baan te vinden. Dat interesseerde ons vroeger niet. De uitkeringsstelsels waren natuurlijk ook rianter, waardoor baanloosheid niet zo’n probleem was. Als studenten vandaag iets buiten hun studie doen, is het gewoon een baantje. Ze zijn meer consument geworden. Dat wil niet zeggen dat ze niet actief zijn, maar het is niet met een gezamenlijke eigen stem.’

In de medezeggenschap zitten studenten rond de tafel met de universiteitsbestuurders. Heeft dat hen in zekere zin monddood gemaakt?

‘In de Utrechtse universiteitsraad wisselt de personeelsvertegenwoordiging om de twee jaar, maar de studentendelegatie ieder jaar. Hun onervarenheid levert  een enorm voordeel op voor het college van bestuur. Studentraadsleden vinden het raadswerk een leuk spel. Dat vonden wij vroeger ook, alleen had dat spel toen nog een verbinding met een beweging en met grotere maatschappelijke thema’s. In de universiteitsraad mag je je uitspreken over het langetermijnbeleid van de universiteit, maar alle details vult het college zelf in. Bijna nooit heb je een vetorecht. Publiciteit zoeken is een van de weinige drukmiddelen die je hebt, want universiteiten hebben een enorme angst voor prestigeverlies.’

‘Mensen die aan een proefschrift of postdoc-project werken, hebben tijdelijke contracten. Het is riskant om je nek uit te steken. Dat geeft de bestuurders enorm veel macht. Je kunt protesteren en druk uitoefenen op je eigen afdeling, maar ook dat is moeilijk: je wordt onder collega’s snel als spelbreker of querulant gezien.’

‘De universiteit is geworden waar we in de jaren zestig en zeventig bang voor waren’

‘Er is iets heel vervelends aan de hand. De universiteit is geworden waar we in de jaren zestig en zeventig bang voor waren: een ivoren toren die mensen aflevert die mee kunnen draaien in de maatschappij zonder al te veel problemen te veroorzaken. Met de nodige vakkennis maar niet al te kritisch. Dat moet je toch niet willen? Als er in de maatschappij één organisatie het kritisch denken moet voeden, zijn het de universiteiten. Nu laten we ze zomaar verkommeren. Heel jammer.’

Heeft de huidige generatie andere vormen gevonden om te protesteren of haar ongenoegen te uiten?

‘Het verzet van de laatste tien jaar loopt voor een deel via digitale kanalen, maar dat heeft een vluchtig karakter. Science in Transition bijvoorbeeld heeft een tijdlang veel aandacht getrokken, maar dat is weer ingezakt. Als je een beweging niet institutionaliseert, verloopt deze snel. Daarom ben ik zo enthousiast over de wetenschapsvakbond VAWO. Ze hebben korte lijnen met de politiek: belangrijk als je iets wil veranderen. Dat is de les van de jaren zestig: een tegenbeweging heeft eigen instituties nodig.’

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een dagelijkse of wekelijkse nieuwsbrief met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands
Verzonden!