Column Huub Tholen: ‘Dat heeft de universiteit toch helemaal niet nodig?’
-
Intocht van hoogleraren tijdens de Opening van het Academisch Jaar, 2022. Foto ter illustratie, door Johannes Fiebig
Na het mbo en hbo is columnist Huub Tholen deze maand begonnen aan een pre-master aan de Radboud Universiteit. Bij de opening van het academisch jaar keek hij zijn ogen uit.
Drie keer dreunt de staf van de pedel hard op de houten vloer. Op commando springt iedereen in de zaal op voor de in toga geklede, grijsharige hoogleraren die in een rijtje naar voren schuifelen. De meesten met de blik gefixeerd op hun eigen schoenen.
Het is 31 augustus en in Concertgebouw De Vereeniging opent de Radboud Universiteit ceremonieel het nieuwe academische jaar. Rector José Sanders, ook in toga, trapt de bijeenkomst af met een Latijnse spreuk, waarna ze uitlegt dat het een eeuwenoude traditie van de Radboud Universiteit is om die woorden bij de jaaropening uit te spreken.
Het is een bijzondere kennismaking met de Radboud Universiteit. Zelf ben ik deze maand, na een omweg langs het mbo en hbo, begonnen met een pre-master aan de Radboud Universiteit. Dat ze het op een universiteit zo nodig vinden om zichzelf in oude gewaden en een plechtige taal groots te presenteren, verbaasde me. Dat heeft een universiteit toch helemaal niet nodig?
Een dag later had ik mijn eerste college. Ondanks mijn 26 jaren voelde ik me, met mijn schooltas op mijn rug en terwijl ik in de menigte op zoek was naar mijn lokaal (ik liep in het verkeerde gebouw), net een brugklasser. Misschien was het ook datzelfde gevoel waardoor ik tijdens mijn eerste hoorcollege een plekje achterin de zaal zocht. Van tevoren had ik braaf de voorgeschreven teksten gelezen. Daaruit maakte ik op dat er blijkbaar een universitaire regel geldt voor literatuur: minstens drie komma’s per zin en zes lettergrepen per woord.
Het hoorcollege werd gegeven aan derdejaars bachelorstudenten. Zowel de docent als de studenten verwezen regelmatig naar lesstof uit voorgaande jaren.
‘Ik betrapte mezelf erop dat ik soms net iets te graag mijn klasgenoten probeerde te overtuigen dat ik ook niet van gisteren ben’
Ik betrapte mezelf erop dat ik soms net iets te graag mijn klasgenoten probeerde te overtuigen dat ik ook niet van gisteren ben. Ik ben immers al meerdere keren afgestudeerd en ben ouder dan de meeste studenten om mij heen. Dus als iemand hier zinvolle kennis heeft, ben ik het wel.
Terwijl ik mezelf bezig hoorde, besefte ik de overeenkomst met de grijsharige hoogleraar die, weliswaar in toga, bedremmeld en ongemakkelijk naar voren loopt. Zijn beroep dwong nog niet zo heel lang geleden respect af in de samenleving. Hij was iemand. Maar tegenwoordig wordt hij door velen gezien als dat vervelende jongetje dat vindt dat hij alles beter weet. Iemand die de veranderingen om zich heen ziet en zich daarom vastklampt aan zijn verleden.
De volgende dag besloot ik wat meer in het midden van de zaal te gaan zitten voor het hoorcollege Gendergeschiedenis. De docente liet een schilderij zien van een kind in een jurk met een parasol in zijn hand.
‘Nu zouden we denken dat dit meisjeskleren zijn, maar voor mensen uit die tijd is het duidelijk dat dit een stoer jongetje is.’
Ik moest denken aan de hoogleraren in hun lange toga’s. En aan het feit dat er waarschijnlijk geen enkele traditie is die jongetjes van nu ervan zal overtuigen dat het stoer is om in een jurk met een parasol gefotografeerd te worden.
Ik besloot dat ik volgende week maar vooraan ga zitten. Ik weet alleen nog niet wat ik aan ga trekken.
Lees alle columns van Huub Tholen