Annemarie Haverkamp over haar nieuwe boek: ‘Ik dacht: nou boek, schrijf jij maar wat ik bedoel’

10 sep 2026

Vandaag verschijnt Het huis dat alles zag, de nieuwe roman van Vox-redacteur (en oud-hoofdredacteur) Annemarie Haverkamp. Een gesprek aan de Waalkade: ‘Ik ben nergens naartoe gevlucht, nee. Nou ja, misschien in mijn hoofd.’

Fietsend naar de Waalkade wijst Annemarie Haverkamp me op plekken uit haar nieuwe roman Het huis dat alles zag. ‘Kijk, dat is het Besiendershuis!’. Het is het oudste huis van Nijmegen (1525), het huis waar ze verbleef om haar roman te schrijven én het huis dat, volgens de titel, alles zag. ‘En kijk, hier zat die student opeens tegen het rolluik van de afwerkplaats!’

Annemarie is schrijfster, maar ook mijn collega bij Vox. Ze won prijzen voor haar eerdere boeken De achtste dag en Het boek van Job en is nu de zesde auteur die in opdracht van de gemeente Nijmegen een roman geschreven heeft.

‘Weet je wie je voorgingen?’, vraag ik, terwijl we onze fiets aan de waterkant parkeren.

‘Zeker. A.F.Th. van der Heijden, Jaap Robben, Thomas Verbogt, Tessa de Loo en Abdelkader Benali. Pieter Koolwijk en Thomas Olde Heuvelt zijn nu bezig,  Arnon Grunberg is al aangewezen.’

Heb je die boeken allemaal gelezen?

‘Natuurlijk.’

Wat was je favoriet?

‘Die van Thomas Verbogt, Maak het mooi, omdat je daar als lezer echt aan zijn hand meeloopt door de stad. Daar houd ik van. Als ik naar Berlijn ga, dan lees ik een roman die zich daar afspeelt. Bij de Azoren net zo.’

Welk personage heeft je het meest verrast tijdens het schrijven van je eigen boek?

‘De student. Kijk, dat de beheerder van een huis in het verhaal zit, lijkt me logisch. Die kun je makkelijk vastpakken, op een stoel neerzetten en verschuiven. Maria, de lijkbidster, die was ook obvious. Maar de student die erin zit, die komt echt uit mijn hoofd. Die wandelde opeens zo mijn boek in.’

Annemarie Haverkamp
Annemarie Haverkamp bij het Besiendsershuis. Foto: Johannes Fiebig

Soms is het ook niet helemaal duidelijk of een personage echt bestaat.

‘Ik heb veel blurry gelaten. Het hoofd van de hoofdrolspeelster wordt helemaal in beslag genomen door een groot verlies. Dus zij is ook een beetje blurry en vult dingen in met haar angst en fantasie.’

Heb je nog iets nieuws geleerd over de stad waar je al dertig jaar woont?

‘’Ik vond het leuk om te lezen dat Nijmegen een vrouwelijke lijkbidder had. Overal werd dit beroep uitgeoefend door mannen, behalve hier. Misschien was Nijmegen honderden jaren geleden ook al een vrouwenstad? We hebben zo lang ik weet een vrouwenoverschot. Het is ook altijd een vrouwenstad gebleven. Je merkt het aan het cultuuraanbod, maar ook aan de sfeer in de stad, die ik vrouwelijk zou willen noemen. Veel empathischer en zachtaardiger dan bijvoorbeeld Amsterdam. Omdat ik schreef over een vrouw die twaalf jaar niet meer in de stad geweest was, ben ik door de stad gaan wandelen met een vriend die al jaren in Parijs woont. Hij ergerde zich bijvoorbeeld aan de obers die geen Nederlands meer spreken. Dat was tien jaar geleden nog niet zo.’

De lijkbidster

Het huis dat alles zag gaat onder meer over Maria, een zeventiende-eeuwse bewoonster van het Besiendershuis, het huis waar Annemarie als writer-in-residence verbleef. Als lijkbidster had zij de taak om na een overlijden langs de deuren te gaan om familie, vrienden en buurtgenoten op de hoogte te stellen van het sterfgeval.

Heeft zij echt bestaan?

‘Ja. Als je de stad als decor neemt, dan moet alles wat je over die stad schrijft kloppen, vind ik. Net als de geschiedenis. Twee Nijmeegse historici hebben het op mijn verzoek ook minutieus gecheckt. Het was wel lastig om écht een beeld te krijgen van de zeventiende eeuw. Zo heb ik geen beeld gezien van de lijkbidster. Ik weet dat het een vrouw was, maar waaróm Nijmegen voor vrouwelijke lijkbidders koos weet ik niet. Net zoals ik niet weet waarom de gemeenteraad later besloot dat het toch weer mannen moesten worden. Ik vond het overigens geestig om te lezen dat mensen toen ook vaak meerdere beroepen hadden.’

De slashgeneratie van 1649…

‘Precies! Zij werkte op een schip en ze was lijkbidster. Hoeveel uur dat in beslag nam, weet ik natuurlijk niet. Soms was een lijkbidder ook een soort uitvaartondernemer, dan kostte zoiets natuurlijk meer tijd. Je merkt: je kunt je volkomen verliezen in zo’n onderzoek.’

Waar begon je zoektocht naar Maria?

‘Ik ging op bezoek bij Dirk Kolff, een emeritus hoogleraar, nazaat van lijkbidster Maria en haar man Wouter Kolff. Ik kon putten uit de familie-archieven die hij me gaf.’

Welk stuk uit het archief trof je het hardst?

‘Hoe ongelofelijk veel kinderen er doodgingen! Hoe kon het normaal zijn dat er achter zo veel kindernamen in die archieven doodskruizen staan? Was zo’n verlies toen minder erg? Konden de mensen er makkelijker mee dealen?  Waren ze er minder mee bezig?’

Boekomslag Het huis dat alles zag
Het huis dat alles zag

Ansa Berger

De andere hoofdrolspeelster in Annemaries roman, Ansa Berger, worstelt met de dood van haar zoon, waarover ze eerder een boek geschreven heeft. De overeenkomsten met Annemarie zelf zijn niet te missen. Ergens valt haar naam zelfs in het boek.

Die vermelding van je eigen naam, heb je daar lang over getwijfeld?

‘Nee, maar mijn redacteur wel. Ik vond het ergens ook heel logisch: je hebt een schrijfster, die schrijft een boek over een schrijfster die niet weer een boek over zichzelf wil schrijven. En dan komt daar de naam in voor van de schrijfster die óók niet over zichzelf wil schrijven. Het stond er ook opeens. Ik dacht: oh nou, dan zit ik ook in mijn eigen boek. Wat leuk.’

Anders dan de hoofdrolspeelster vertrok je zelf niet uit Nijmegen na de dood van je zoon.

‘Ik ben nergens naartoe gevlucht, nee. Nou ja, misschien in mijn hoofd. Maar de neiging alles achter me te laten, die ken ik wel. De stad zit vol herinneringen aan mijn zoon. Elke dag dat ik naar de universiteit fiets, kom ik langs het mortuarium. De ziekenhuis-afdeling waar hij geboren is, bestaat gelukkig niet meer. Veel mensen vroegen ook: blijven jullie in je huis wonen?’

En?

‘Het is een logische vraag. We zijn nu alles groen aan het schilderen, dat vind ik al een hele stap. Ook houden we een grote schoonmaak, maar natuurlijk vind ik dan overal aandenkens aan hem.’

Bij alle interviews rond je nieuwe boek, zul je ook veel naar hem worden gevraagd. Vind je dat ingewikkeld?

‘Wat ik het alleringewikkeldst vind, zijn niet de emoties, maar gewoon de vraag waar dit boek over gaat. ‘Waar gaat je boek over, Annemarie?’ Nou, eh, hmm.’

Vind je dat het lastig omdat je het zelf niet kan duiden of omdat je het dan weggeeft?

‘Omdat ik het antwoord niet goed weet. Het gaat over een vrouw die transformeert in een soort andere versie. En over een vrouw die een boek probeert te schrijven dat níet over haarzelf gaat. En ja, dat is gelukt, maar daar zat verder geen plan achter. Je kunt het een intuïtief verhaal noemen. Ik heb me laten leiden door de dingen die gebeurden in mijn hoofd. Ik heb het mezelf ook toegestaan. Ik dacht: nou boek, schrijf jij maar wat ik bedoel.’

Het boek nodigt ook uit tot allerlei impertinente vragen aan de auteur. Je bent zelf ook journalist. Zou jij die vragen ook stellen?

‘Die zou ik zeker stellen, maar als iemand dan zei “Hier heb ik even geen zin in”, zou ik dat respecteren. Kijk, impertinente vragen zijn natuurlijk geen impertinente vragen. Als jij je hele ziel en zaligheid in een boek gooit, is het volstrekt logisch dat mensen aan de andere kant van het boek, namelijk lezers of interviewers, daar vragen bij hebben. En het is heerlijk om over je boek te vertellen, maar er zit natuurlijk óók nog altijd een heel groot verdriet. En ja, dat zit er al vijf jaar, maar dat voelt niet als vijf jaar.’

We lopen terug naar de fietsen. Bij de Waalbrug wijst ze me op een houten kunstwerk aan de pijler, gemaakt door haar man: ‘Het is een feniks. Ja, ik weet niet, hoor,’ lacht ze. ‘Kunnen we dat nog toevallig noemen?’

Annemarie Haverkamp
Annemarie Haverkamp bij het Besiendsershuis. Foto: Johannes Fiebig

Kunst is zijn manier om met het verlies bezig te zijn, wil ze maar zeggen. Die van haar is schrijven. ‘Kunnen anderen er nog iets aan hebben,’ vraag ik voorzichtig, ‘aan het beschrijven van zo’n groot verlies?’

‘Ja, al ben ik daar een beetje allergisch voor geworden. Het is ook een excuus van ons als media om de hele tijd dood en verlies de wereld in te slingeren, want “daar hebben mensen wat aan”. Daarnaast houd ik natuurlijk rekening met vermoeidheid bij de lezer. “Heeft ze het nou weer over dat kind?” Ja, kennelijk wel.’

Als journalist schrijf je er nooit over.

‘Nee, precies. Ik schrijf elke dag voor Vox en andere media over andere dingen, interview mensen, schrijf reportages die helemaal niets met Job of het verlies te maken hebben. Maar mijn boeken, ja, die gaan over hem. Op de site van De Gelderlander, de krant waar ik columnist ben, schreef iemand: “Dat boek hoef ik niet te lezen, want Annemarie Haverkamp schrijft alleen maar over Annemarie Haverkamp.” Mijn man en ik hebben daar thuis een running gag van gemaakt. En ja, het klopt, maar dat geldt voor meer columnisten en ik heb gewoon een boek geschreven waar ik heel trots op ben.’

Leuk dat je Vox leest! Wil je op de hoogte blijven van al het universiteitsnieuws?

Bedankt voor het toevoegen van de vox-app!

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een directe, dagelijkse of wekelijkse update met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands
Verzonden!