column

Opticien

12 nov 2018

Belg aan de Waal is zijn alter ego. Ken Lambeets streek kort geleden vanuit Brussel neer in Nijmegen en is nieuw op de redactie van Vox. De komende maanden schrijft hij over zijn ervaringen. Deel 12: Opticien.

Wat haat ik het om met de vergankelijkheid van het lichaam te worden geconfronteerd. Het is wellicht de belangrijkste reden waarom ik niet tuk ben op bezoeken aan kappers of tandartsen, laat staan opticiens.

Omdat ik steeds meer inspanningen moest leveren om plaatsnaamborden te lezen, fietstochtjes in het donker ronduit gevaarlijk begonnen te worden en de verkeerssituaties aan de rotondes op de Heyendaalseweg zelfs met goed functionerende ogen al gevaarlijk genoeg zijn, drong een bezoek aan die laatste beroepscategorie zich op.

Aldus toog ik samen met de vriendin – voor de morele steun – naar een Nijmeegse oogspeciaalzaak. Aan wat voor bril ik had gedacht, vroeg de behulpzame verkoper die niet toevallig zelf een stijlvol exemplaar op de neus droeg. Dat ik op zoek was naar een bril die zoveel mogelijk leek op mijn huidige, scheen de man te verbazen. Ik legde hem uit dat ik het eigenlijk wel een mooi model vond. ‘Bovendien heb ik geen reservebril, daar kan ik deze dan voor gebruiken’, vertelde ik.

Dus haalde de verkoper een bril met een donkerzwart montuur van de muur. ‘Deze vind ik eigenlijk wel prima’, zei ik. In mijn gedachten was ik al bij de verschrikkelijke oogtest (‘Kan je de letters op deze lijn lezen?’ -‘Welke lijn?’) die nog zou volgen.

‘Laten we toch nog enkele andere modellen proberen’, drong de verkoper aan. Ook de vriendin zag er geen graten in. Nou, goed dan. Uit een tiental laden toverde hij brillen met ronde, rechthoekige en vierkanten glazen tevoorschijn met een smaller dan wel breder montuur in alle kleuren van de regenboog, die hij een voor een voorzichtig op mijn neus plaatste. Ik kreeg het er benauwd van.

‘Of probeer deze bril eens: het montuur is afgewerkt met een zeldzame houtsoort.’ Zelfs zonder afgewerkte glazen zou het ding me meer dan een kwart van mijn maandloon kosten. Ik keek in de spiegel en voelde me net een antiekhandelaar – enkel de roze broek en de trui over de schouders ontbraken nog. Neen, dit was beslist niets voor mij.

Daar leek de verkoper nog begrip voor op te brengen, maar toch wilde hij me absoluut een ander model verkopen – wellicht had het met beroepseer te maken. Ik moest beslist ronde glazen hebben, want die pasten beter bij mijn hoofd. Om zijn gelijk te halen, wierp de man alle argumenten in de strijd. Aan de vorm van mijn hoofd kon hij duidelijk afleiden dat ik een Belg was. Zijn schoonmoeder had immers lange tijd in de neonatologie gewerkt. ‘In Anvers’, zei hij. ‘Antwerpen, bedoel ik.’ Alsof ik dat niet begrepen had.

Maar goed, zijn schoonmoeder dus. Aan de vorm van het hoofdje van een pasgeborene kon ze meteen afleiden of het een Belg of een Nederlander betrof. ‘Jullie hebben ranke, smalle hoofdjes, wij hebben vaker een iets geblokter hoofd. Daar past een andere bril bij.’ Vooruit dan maar.

Je zou het ze met hun ranke hoofdjes niet nageven, maar Belgen schijnen ook koppig te kunnen zijn. Dus hield ik voet bij stuk en kocht de bril die als twee druppels water op mijn vorige leek. Zelfs mijn collega’s, die me na een kappersbezoek steevast feliciteren met de nieuwe coupe, merkten er niets van. En gelukkig maar.

Lees alle columns van Ken Lambeets

1 reactie

  1. Nonkel en meter schreef op 12 november 2018 om 16:16

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een directe, dagelijkse of wekelijkse update met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands
Verzonden!