De relaxte professorenbuurt

17 okt 2018 ,

Hoe ziet het leven eruit van een hoogleraar op het Donders Centre for Cognitive Neuroimaging? Een dagelijkse race tegen de klok? Psychologen Karin Roelofs, Roshan Cools en Floris de Lange blijken hun grenzen stevig te bewaken. ‘Op zo’n mooie dag zeg ik hop, alles af en ga ik met mijn moeder wandelen.’

Het hoogleraarschap roept sterke associaties op bij mensen, merkt Floris de Lange (41). ‘Toen de buurman hoorde dat ik prof werd, kwam hij met een verhaal van een andere hoogleraar die daar volgens hem heel gewichtig over deed. Het klonk toch een beetje alsof hij van mij wilde horen dat ik dat nooit zou doen.’ Hoogleraren zijn elitair, onbereikbaar en saai, is het heersende beeld. ‘Op de camping zeg ik nooit dat ik hoogleraar ben’, zegt Roshan Cools (43). ‘Want dan is het net alsof ik van een andere planeet kom.’ Karin Roelofs (46): ‘Ik noem mezelf altijd ‘onderzoeker’, maar vervolgens vragen mensen of ik een proefschrift schrijf. Ik heb hem al af, zeg ik dan, haha!’

Karin Roelofs. Foto: Erik van ’t Hullenaar

De omzichtige omgang met de buitenwacht zegt weinig over hun academische ambities, zo lijkt het. Roelofs werd hoogleraar op haar 39ste, Cools al toen ze 36 was. De Lange is onlangs benoemd (‘ik draag nog een leentoga’). Alle drie leiden ze – na internationaal ervaring op te hebben gedaan – momenteel succesvolle onderzoeksgroepen op het Donders Instituut en zijn wereldberoemd vanwege hun neurowetenschappelijk werk. Ze publiceren in wetenschappelijke topbladen als Biological Psychiatry, Nature Reviews Neuroscience en eLife.

We spreken de drie wetenschappers deze nazomeravond over de werkdruk van een hoogleraar anno 2018. Locatie: Postweg Nijmegen, de straat waar ze alle drie wonen – je zou het bijna de echte professorenbuurt noemen.

Ondanks hun indrukwekkende academische prestaties is de boodschap die ze aan jonge onderzoekers en studenten willen meegeven een relativerende: ontspan en doe vooral wat je leuk vindt. In de woorden van hoogleraar neuropsychologie Cools: ‘Laat het los. We zijn veel te veel bezig met idee dat je altijd maar je best moet doen.’ Dat inzicht komt voort uit een andere overeenkomst: de drie jonge hoogleraren hebben allemaal een gezin, met kinderen tussen de een en 21. Dat gezin staat voorop, hun werk plannen ze er zo goed mogelijk omheen.

Laat los?

Cools: ‘Morgen houd ik toevallig een praatje voor achthonderd promovendi, in Groningen. De titel is: ‘Relax’. Je kunt niet altijd hard blijven focussen. Als je vermoeid bent is dat een signaal van je hersenen om die focus even los te laten. Dan komt er ruimte om onverwachte kansen te pakken. Werkdruk en burn-outs zijn echte problemen, maar eigenlijk zouden we beter naar onze hersensignalen moeten luisteren.’

Roshan Cools. Foto: Erik van ’t Hullenaar

‘Ik heb natuurlijk ook stress ervaren, bijvoorbeeld toen ik postdoc was op Berkeley en met mijn begeleider sprak over de spanning rondom het zoeken van een baan. Moest ik terug naar Europa? Naar Nederland? Wat was goed? Hij zei, waar maak je je nu druk om, wat kan er gebeuren? Leef nu, doe gewoon de dingen die je nu wilt doen. Toen ben ik naar Cambridge gegaan, en daarna kwam deze baan langs, dat was een superkans.’

Roelofs herkent Cools’ keuzestress. ‘In 2011 sloeg ik een hoogleraarschap hier nog af, toen was ik UHD in Leiden. Ik kreeg het ontzettend benauwd, had net twee kleine kinderen. De jongste zat nog aan de borst. Ik dacht: dan word ik maar geen hoogleraar, ik hoef die carrière niet per se. Toen zijn we met het gezin tweeëneenhalve maand gaan fietsen in Azië – de jongste in de fietskar achter ons aan. Heerlijk!’

‘Ik wilde niet tachtig uur werken – want dat beeld had ik’, vervolgt Roelofs. ‘Ik had ook geen goed vrouwelijk voorbeeld. Mijn moeder zei later: maar dan laat jij toch zien hoe je het op jouw manier kunt doen? Toen ik vier jaar later weer hoogleraar kon worden hier, heb ik de kans wel gegrepen.’

Hoe ga je dan om met zo’n tachtigurige werkweek? Met werkdruk in het algemeen?

‘Ik maak wel veel uren’, bekent Roelofs, ‘maar ik bewaar heel erg mijn balans. Gisteren nog, toen bleek het opeens mooi weer. Dan zeg ik, hop, alles af en ga ik met mijn moeder wandelen.’

De Lange: ‘Work hard, play hard?’

Floris de Lange. Foto: Erik van ’t Hullenaar

Roelofs moet lachen. ‘Ja, ik denk dat ik wel intens leef. Maar het leven moet altijd leuk blijven vind ik, dat vind ik in mijn onderzoeksgroep ook belangrijk. Mijn promovendi weten dat ook. De woensdag is bijvoorbeeld heilig voor mij, dan werk ik thuis. Zelfs als er eigenlijk een sollicitatiegesprek is. Ook al dwingt niets mij meer om die dag thuis te zijn – vroeger haalde ik mijn kinderen dan om twaalf uur op uit school – ik heb echt die balans in de week nodig. Dat ik zelf koffie kan zetten en rustig kan werken.’

Cools: ‘Ik zeg ook tegen mijn promovendi: ga gewoon een dag in de week thuis zitten, zeker als je kinderen hebt – van hun leven wil je toch ook wat meekrijgen? Ik breng de kinderen zelf bijna elke ochtend weg, en haal ze om vijf uur weer op. Op vrijdag ben ik in principe thuis. Ik maak geen werkweken van meer dan veertig uur.’

Roelofs: ‘Nou, daar kom ik wel boven uit hoor, zeker als ik veel moet reizen.’

Cools: ‘Dat reizen begin ik ook weer wat meer te doen. Maar ik voel me dan wel slecht hoor. Dan heb ik het gevoel dat ik iedereen tekortdoe: mijn promovendi, mijn kinderen. Mijn moeder zegt dan: maak je nou niet druk, wegwezen!’

Dat klinkt redelijk ontspannen. Zitten de gestreste studenten en jonge onderzoekers van tegenwoordig dan heel anders in elkaar?

De Lange: ‘Promovendi hebben nu inderdaad veel meer stress dan vroeger. Als masterstudent komt de rook ze vaak al uit de oren.’

‘Je hoort het in de bachelor soms al!’, vult Roelofs aan. ‘Als ik geen acht gemiddeld haal, kom ik de master niet in. De druk is enorm. Maar volgens mij werkt het averechts. Je kunt niet met je toekomst bezig zijn en tegelijk volledig focussen op je huidige werk. Door de stress lukt het ze minder vaak om gewoon lekker bezig te zijn met iets. Toen ik nog bij NIH zat (het prestigieuze National Institutes of Health in het Amerikaanse Bethesda, red.), in Amerika, werkte ik ook hard, maar dat deed ik omdat ik dingen interessánt vond.’

Karin Roelofs, Floris de Lange en Roshan Cools. Foto: Erik van ’t Hullenaar

De Lange: ‘Ik raad studenten ook altijd aan om niet meteen aansluitend met een promotie te beginnen, kom eerst maar even bij! Ze zijn veel ambitieuzer dan vroeger. Ik was best een lakse student, vond een zeven wel genoeg. Laatst gaf ik een student een acht, en die ging daarover in discussie!’

Waarom ervaren jongeren dan zoveel druk?

Cools: ‘Volgens mij heeft dat te maken met een brede maatschappelijke trend. Het komt door de prestatiemaatschappij. De nadruk ligt zo op maakbaarheid: we kunnen bereiken wat we willen, als we maar ons best doen. Mensen lijken soms ook het gevoel te hebben dat ze daar recht op hebben. Maar dat is niet zo! Een groot deel van ons leven is niet te controleren. Pas als je dat accepteert, ga je anders in het leven staan.’

‘Er is ook geen recept voor academisch succes,’ relativeert De Lange. ‘Soms vragen studenten wat ze moeten doen om hoogleraar te worden. Die strategische vragen vind ik altijd een beetje onzin. Kijk maar hoeveel de groepsleiders binnen ons centrum al van elkaar verschillen. Er is geen gemene deler. Dat vind ik juist ook leuk aan ons instituut: mensen hebben allerlei verschillende achtergronden, van biologie tot wiskundige. Dat geeft energie.’

Floris de Lange en Roshan Cools. Foto: Erik van ’t Hullenaar

En publicatiedruk dan?

‘Het is een mythe dat een lange publicatielijst nodig is voor academische succes’, vindt De Lange. ‘Toen ik in Parijs als postdoc werkte na mijn promotie heb ik ook een jaar lang bijna niks gedaan, bij wijze van spreken. Een experiment van een week, maar verder vooral veel naar presentaties gaan luisteren en met mensen praten. Daar heb ik veel aan gehad. Ik heb nu nog steeds regelmatig dat ik een dag alleen maar aan het aankloten ben. Dan ga ik een beetje lezen, van alles wat, helemaal niet gefocust. Je moet zelf je agenda leegmaken.’

Roelofs: ‘Toch is die lijst helaas nog wel van belang, dat merk ik ook in subsidiecommissies waarin ik zit. Dan wordt er gezegd: ‘het zijn wel weinig publicaties’. Zulke kwantitatieve meetinstrumenten zijn echt uit de tijd. Kwaliteit moet leidend zijn. Maar het verandert te langzaam.’

Jonge onderzoekers hebben misschien veel meer last van onzekerheid over hun carrière, vermoeden de hoogleraren, met de bijbehorende stress van dien. Een fase die ze zelf al voorbij zijn. Voor een wetenschappelijke loopbaan moeten jongeren zich nog zien te onderscheiden.

Cools: ‘Wij hebben natuurlijk makkelijk praten vanuit onze luxe, vaste positie. Dat besef ik ook wel. Als promovendus en postdoc heb ik heel hard gewerkt, maar dat deed ik vrijwillig en ik vond het leuk. Niet omdat ik per se hoogleraar wilde worden. Ik wilde het liefst mijn hele leven studeren.’

‘Ja, puzzels oplossen’, valt De Lange bij, ‘dat is ook precies wat ik wil. Dat vind ik nu leuk, en over vijftien jaar volgens mij nog steeds. Of dat nu als groepsleider is of als hoogleraar maakt mij niet uit. Er is misschien ergens anders op de wereld nog wel een prestigieuzere positie dan onderzoeksleider bij het Donders Instituut, maar los je dan leukere puzzels op? Dat vraag ik me af.’

Toch kwamen bij jullie de kinderen ook pas toen je een vaste baan had.

‘Ik heb kinderen nooit uitgesteld vanwege mijn carrière’, zegt Cools. ‘Kinderen moet je nooit plannen. Bij mij kwam het niet eerder op mijn pad. Nu heb ik er, inclusief stiefkinderen, zelfs vier. De oudste is net 21.’

Floris de Lange en Roshan Cools. Foto: Erik van ’t Hullenaar

De Lange: ‘Ik vond het leuk om lekker in het buitenland postdoconderzoek te doen, dat zou ik met een kind inderdaad niet gedaan hebben. In die tijd vond ik het fijn om ongebonden te zijn. Maar dat was niet omdat ik dacht: laat ik nu maar eerst carrière maken.’

‘Kinderen komen nooit goed uit’, lacht Roelofs, ‘dus doe ze dan maar lekker als ik nog jong ben, dacht ik. Ik was zwanger tijdens mijn Veni-periode, toen was ik inderdaad net UD in Leiden. Dat was een relatief luxe periode: ik had al iets bereikt. Maar ik ben ook nooit doelgericht bezig geweest om hoogleraar te worden. Ik vond het gewoon heel leuk om onderzoek te doen.’

Het leven van een onderzoeker is dus nog niet zo verkeerd?

De Lange: ‘Mijn vrouw is internist in opleiding. Zij moet om acht uur in het ziekenhuis zijn, draait nacht- en weekenddiensten. Ik ben degene die meestal kookt en de kinderen naar de crèche en school brengt. Ik zeg altijd grappend dat zij bij ons thuis degene is met een echte baan.’

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een directe, dagelijkse of wekelijkse update met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands
Verzonden!