Joep Bos-Coenraad: Gerechtvaardigd leed
Hoe komt het toch dat dierproeven en het neerknuppelen van zeehondjes voor hun pels op zoveel meer maatschappelijke weerstand stuiten dan ‘dieren proeven’, oftewel, vlees eten? Een makkelijke verklaring is dat de meeste Nederlanders vlees eten, terwijl we goed zonder zeehondenbont kunnen. En het testen van medicijnen is een ver-van-ons-bed-show. Het is makkelijk ageren tegen wat je niet nodig denkt te hebben.
Maar dat is niet alles. Minstens zo belangrijk is het argument dat vleesconsumptie cultureel geaccepteerd is. Ergens tussen de 1,9 en 3,5 miljoen jaar geleden begonnen onze voorouders met het eten van vlees. Nagenoeg zonder uitzondering zijn ook wij opgegroeid met het idee dat vlees eten voedzaam en normaal is.
Echter, laten we ons eens voorstellen dat onze voorouders herbivoren (zuivere planteneters) waren en dat een kleine groep mensen vandaag zou beginnen met het doden van dieren voor consumptie. Het is een hele hypothetische situatie, maar ik ben er vrij zeker van dat de maatschappelijke weerstand groot zou zijn. Omdat we het altijd gedaan hebben is vleesconsumptie niet schokkend. Zelfs een vleeseter kan om dierenwelzijn geven. Waar de meeste Nederlanders het doden van dieren voor de lol afkeuren, wordt consumptie als een legitiem excuus gezien. Zo is de natuur.
Tot op zekere hoogte ga ik daar in mee. Wat mij betreft worden slechts twee bescheiden, aanvullende voorwaarden toegevoegd. Ten eerste vind ik dat we moreel verplicht zijn erg goed te zorgen voor dieren die we later consumeren. Ten tweede is niet iedere mate van consumptie even natuurlijk. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat mensen die niet of nauwelijks vlees eten gemiddeld enkele jaren ouder worden dan hun dagelijks vleesetende collega’s. Dat hoeft niet te betekenen dat vlees per se ongezond is, maar de zware vleesconsumptie van veel westerlingen is dat wel. In die mate vlees eten is niet meer ‘natuurlijk’, maar ongezond en eerder ordinair.
Ons kapitalistische systeem stelt geen voorwaarden aan het gebruik van vlees. Als je het kunt betalen, mag je ermee doen wat je wil. Of iemand nou ‘verantwoord’ driehonderd gram per week eet, of zich dagelijks met deze massa een vroege dood in eet, maakt niets uit. Nu gun ik iedereen de vrijheid zichzelf de dood in te eten, drinken, roken of snatsen (coke snuiven – red.), maar het doet afbreuk aan de legitimiteit van het doden van dieren. En het wordt zelfs erger dan dat. Fastfoodketens bakken op grote schaal hamburgers, om deze bij tegenvallende afname in de kliko te laten belanden.
Volgens mij zal ieder weldenkend mens redeneren dat een bio-industrie die produceert voor een kliko misdadige dierenmishandeling is en hopelijk vinden we dat ook van overmatige vleesconsumptie. Maar dit systeem bestaat omdat het kan, omdat het aantrekkelijk is en omdat het blijkbaar loont. Hoe voorkomen we onnatuurlijke dierenmishandeling als onze markt en onze welvaart het toestaan?
Vergelijkbaar is misschien de problematiek rond fossiele brandstoffen. Dat iemand op benzine naar zijn werk rijdt achten we anno 2011 veelal noodzakelijk en daarom geaccepteerd, maar is het even verdedigbaar om een veelvoud daarvan aan CO2 uit te stoten door een energieslurpende jacuzzi te verwarmen op grijze steenkoolstroom? Aan de ene kant willen we – terecht – een overheid die zich niet onnodig veel met ons bemoeit, aan de andere kant willen we waarschijnlijk extern leed minimaliseren, maar bepaalde vormen van bezwaarlijk gedrag uitzonderen. Kan men aan beide wensen tegemoetkomen? De mondiaal alsmaar stijgende welvaart zal de drempel niet opwerpen. Nieuw of uniek zijn gebruiksbeperkingen overigens niet. Ook aan het gebruik van verdovende middelen (alcohol, tabak) en bijvoorbeeld voertuigbrandstoffen zijn voorwaarden verbonden. Volgens mij worden dergelijke dilemma’s heftige, maar noodzakelijke ethische vraagstukken van de 21e eeuw.