Kwart van de academici kampt met depressieve of angstklachten, vooral jonge onderzoekers
-
Foto ter illustratie. Door Md Mahdi via unsplash
Een kwart van de wetenschappers in Nederland ervaart depressieve en/of angstklachten, blijkt uit onderzoek van De Jonge Akademie. ‘We hebben in de wetenschap een cultuur van hypercompetitie gecreëerd’, zegt psychiater en onderzoeker Joeri Tijdink.
Bijna tweeduizend academici, van promovendus tot hoogleraar, vulden anoniem een vragenlijst in van De Jonge Akademie, een genootschap van relatief jonge topwetenschappers. Daaruit blijkt dat veel wetenschappers mentale klachten hebben. Volgens De Jonge Akademie hangt dit samen met de sociale onveiligheid, publicatiedruk en tijdelijke contracten.
Zo’n 25 procent van de ondervraagden heeft last van matige tot ernstige depressieve klachten. Bijna evenveel wetenschappers rapporteerden angstklachten. Dat betekent niet dat ze een depressie of angststoornis hebben. Wel ervaren ze bijvoorbeeld somberheid, slapeloosheid, spanning of overmatig piekeren.
‘We wisten al dat de mentale gezondheid van academici, vooral van promovendi, onder druk staat’, zegt Joeri Tijdink, psychiater en onderzoeker aan het Amsterdam UMC. Tijdink is tevens een van de samenstellers van het rapport. ‘Maar ook postdocs en universitair docenten lijken kwetsbaar.’
Waarom zijn vooral jonge onderzoekers kwetsbaar?
‘De academische wereld kent een sterke hiërarchie. Dat zorgt voor een competitieve cultuur. Er is bovendien maar beperkt onderzoeksgeld beschikbaar, wat die competitie verder versterkt. Daarnaast is er veel onzekerheid onder jonge onderzoekers door tijdelijke contracten. Niet zelden hebben postdocs meerdere tijdelijke contracten achter elkaar. Dat zorgt voor onzekerheid en onrust.’
Jullie schrijven dat er ook grote verschillen zijn tussen onderzoekers die wel of niet in Nederland zijn opgegroeid.
‘Inderdaad. Buitenlandse onderzoekers ervaren meer mentale klachten en halen minder werkplezier uit hun baan. Mogelijk komt dat door een gebrek aan een sociaal netwerk. We zien dat een sociaal netwerk kan bijdragen aan de mentale gezondheid. Voor buitenlandse onderzoekers is het vaak moeilijker om zo’n netwerk op te bouwen: familie woont niet in de buurt en ook het sluiten van nieuwe vriendschappen kan lastig zijn.’
Zien we ook verschillen tussen mannen en vrouwen?
‘Dat hadden we wel verwacht. In de algemene bevolking komen klachten als angst en depressie namelijk vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. Onder de respondenten rapporteerden vrouwen vaker angstklachten. Maar opvallend genoeg zagen we bij depressieve klachten geen verschil tussen mannen en vrouwen: zij rapporteerden daar even vaak over. Daar hebben we nog geen verklaring voor. Dat zouden we verder moeten onderzoeken.’
Er wordt al langere tijd gesproken over mentale problemen onder wetenschappers. Wat maakt dit probleem zo hardnekkig?
‘Dat heeft met het onderzoeksklimaat te maken. We hebben in de wetenschap een cultuur van hypercompetitie gecreëerd. In zo’n omgeving ga je al snel overwerken, zeker wanneer je leidinggevende of begeleider dat ook doet. Dan wordt het al snel als normaal gezien.’
In het onderzoek legde De Jonge Akademie de stelling voor: ‘Ik voel me onder druk gezet om langer dan mijn reguliere uren te werken.’ Meer dan de helft van de onderzoekers was het daarmee eens.
Ondanks stress en mentale klachten ervaren wetenschappers relatief veel werkgeluk. Hoe verklaart u dat?
‘Dit spanningsveld was een van de redenen om het onderzoek te starten. We weten dat er veel stress en druk is, maar tegelijkertijd vinden veel wetenschappers het ontzettend leuk en waardevol om in de academische wereld te werken. Hoe valt dat met elkaar te rijmen?’
‘Je kunt altijd zeggen: er moet meer geld naar de wetenschap. Maar het is een mythe dat meer geld alle problemen zal oplossen.’
‘Veel onderzoekers beschouwen hun werk als een passie: meer dan de helft noemt het de mooiste baan ter wereld. Ze hebben het gevoel dat ze bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke problemen. Dat maakt hun werk betekenisvol en inspirerend.’
Wat moet er veranderen om de problemen daadwerkelijk aan te pakken?
‘Je kunt altijd zeggen: er moet meer geld naar de wetenschap. Maar het is een mythe dat meer geld alle problemen zal oplossen. Er zijn ook andere factoren die een verschil kunnen maken. Zorg bijvoorbeeld voor een veilige en prettige onderzoekscultuur en investeer in goed leiderschap.’
‘Een sterk sociaal netwerk hangt samen met minder mentale klachten. Instellingen kunnen bijdragen door sociale activiteiten te stimuleren of wetenschappers minder over te laten werken. Dat is extra belangrijk bij buitenlandse onderzoekers, zodat zij hier goed kunnen aarden.’
En voor jonge academici?
‘Er moeten meer stabiele posities komen. In de vroege loopbaan ervaren academici vaak veel onzekerheid. Als we meer vaste contracten kunnen bieden, zal dat mogelijk een positief effect hebben op hun mentale gezondheid.’
‘En we moeten ook meer praten over werkgeluk. We hebben het vaak over hoe zwaar een academische carrière is, maar minder over wat mensen gelukkig maakt in hun werk. Er is natuurlijk een probleem. Maar het is ook geweldig om in de wetenschap te werken; er zit zoveel schoonheid in. En daar zouden we meer op mogen focussen.’
Tekst: Naomi Bergshoeff / HOP

ongeruste medewerker schreef op 27 augustus 2026 om 11:24
Op basis van de RIVM-monitor, die gebruikmaakt van CBS-gegevens, lijkt het beeld onder wetenschappers minder zorgwekkend dan soms wordt gesuggereerd. In 2025 rapporteerde 41,7% van de Nederlandse bevolking van 12 jaar en ouder angst- of depressiegevoelens in de voorafgaande vier weken. Tegen die achtergrond valt op dat in het onderzoek van De Jonge Akademie ongeveer een kwart van de wetenschappers matige tot ernstige depressieve of angstklachten rapporteert. Hoewel de gebruikte meetmethoden niet volledig vergelijkbaar zijn, bieden deze cijfers geen duidelijke aanwijzing dat wetenschappers vaker psychische klachten ervaren dan de Nederlandse bevolking als geheel. Integendeel, de beschikbare gegevens lijken eerder op het tegenovergestelde te wijzen.