Op de vlucht (4): Volgens Oussama Diab vernielt oorlog niet alleen huizen, maar ook de zielen van mensen
-
Oussama Diab. Foto: Duncan de Fey
Voor veel Nijmegenaren is oorlog een ver-van-mijn-bedshow. Maar niet voor kunstenaar Oussama Diab (47). In 2015 kwam hij vanuit Syrië aan in Heumensoord, het grote vluchtelingenkamp achter de Radboud Universiteit. Nu schildert hij in een atelier in de Paraplufabriek.
‘Twee maanden geleden was ik in Syrië. Mijn broer was bij me en vroeg: ‘Wil je de plek zien waar je huis stond?’ ‘Ik blijf liever op afstand’, zei ik. Ik vond het te pijnlijk.
Van de wijk waar ik woonde in Damascus is helemaal niets meer over. Werkelijk alles is weggevaagd. Het duurt jaren en jaren voor daar weer iets is opgebouwd en mensen ernaar terug kunnen. Mijn vrouw en ik hadden een heel mooi huis. Het was pas een jaar oud toen we het achter ons lieten.
Nieuw magazine
Dit artikel komt uit het nieuwe Vox-magazine, een special over Defensie. Hoe moet de Radboud Universiteit omgaan met Defensie? Welke samenwerkingen zijn er – en hoe ethisch is het hebben van banden met Defensie in tijden van oorlog? Je kunt het nieuwe magazine ook lezen via deze link.
De onrust in mijn land begon met vreedzame protesten tegen het regime van Assad. Net als eerder in Tunesië en Egypte, bereikte de Arabische Lente Syrië. In het begin waren er alleen de wekelijkse demonstraties op vrijdag, maar na verloop van tijd werd er elke dag gedemonstreerd en werd er steeds vaker gereageerd met geweld.
Op mijn wijk vielen bommen, elke dag gingen er mensen dood. Ik werkte als kunstenaar en had New Guernica gemaakt als een verhuld commentaar op de oorlog in Syrië. Het was gebaseerd op het beroemde werk van Picasso. CNN interviewde mij over dat schilderij. Het artikel ging verder dan wat ik had verteld. Als het regime daarachter zou komen, kwam ik in gevaar. Toen wist ik dat ik moest vluchten.
Veel vrienden
Nadat ik een tijdje in Libanon had gezeten, kwam ik in 2015 aan in Heumensoord, het grote vluchtelingenkamp achter de Radboud Universiteit. Ik kende hier niemand, maar ik heb in de zes maanden dat ik in daar zat veel vrienden gemaakt.
Er waren verschillende connecties met de universiteit. Nu hangt er onder meer werk van mij in het Grotiusgebouw en afgelopen zomer heb ik in de binnenstad een muurschildering gemaakt in de serie Waalpaintings, een samenwerking tussen de gemeente en de universiteit. Ik heb een atelier in de Paraplufabriek, daar ben ik vrijwel elke dag.
Mijn ouders komen uit Palestina. Toen zij bij de stichting van de staat Israël in 1948 hun land moesten ontvluchten, kwamen ze terecht in Syrië. Ik ben geboren in Damascus. De geschiedenis herhaalt zich, want ook ik heb mijn land moeten verlaten. Dat komt allemaal terug in mijn werk. Soms heel expliciet, soms minder. Maar de geschiedenis werkt vanzelfsprekend door in mijn identiteit.
Twee maanden geleden was ik in Syrië omdat ik mijn vader wilde zien. Hij is oud en ziek. Voor het eerst bezocht ik met mijn broer ook het graf van mijn moeder. Zij overleed terwijl ik in Nederland was. Op de begraafplaats heb ik tegen haar gepraat. Ze was een geweldige moeder. Het doet me verdriet dat ze me vroeger vaak vroeg wanneer er kinderen kwamen. Toen ik ze eenmaal kreeg, was ik ver bij haar vandaan. Mijn dochter heeft ze maar één keer in het echt gezien, als baby’tje.
Oorlog vernielt niet alleen huizen, gebouwen en bomen, maar het verwoest de zielen van mensen. Iets in ons is voor altijd stukgemaakt.’
