Oud-gynaecoloog Jan Kremer pleit voor openheid over misstanden bij donorinseminatie en ‘minder’ zorg

23 apr 2026

Gynaecologen die hun eigen zaad gebruikten voor inseminatie? Onacceptabel, vindt oud-gynaecoloog Jan Kremer. Maar: 'De context doet ertoe'. Kremer deed onderzoek naar die schimmige praktijken. In zijn halve eeuw aan het Radboudumc deed de scheidend arts en hoogleraar nog veel meer, zoals de dokter naar de patiënt brengen in plaats van andersom.

Gynaecologen die hun eigen zaad gebruikten om patiënten zwanger te maken. Onacceptabel, vindt Jan Kremer (66). Het valt niet goed te praten.

Nou kunnen we natuurlijk in die sfeer van beschuldiging – ‘de arts is een boef’ – blijven hangen, maar wat hem betreft is het zinniger te focussen op het nu. Hoe kan zo’n dokter bijdragen aan het geluk van de kinderen die hij heeft verwekt?

Kinderen ontmoeten

‘Ik heb onderzoek gedaan naar de gynaecoloog van het Rijnstateziekenhuis die in de jaren zeventig en tachtig zijn eigen sperma gebruikte bij kunstmatige inseminatie’, vertelt gynaecoloog Kremer, die tegenwoordig hoogleraar zorg en samenleving is.

‘Die man is nu 85. Ik heb hem verschillende malen gesproken en uiteindelijk gevraagd of hij zijn kinderen zou willen ontmoeten. Omdat hij hen daar enorm mee zou helpen.’

‘Ik heb hem gevraagd of hij zijn kinderen zou willen ontmoeten’

Die insteek karakteriseert Kremer. Hij is een arts die zich altijd afvraagt waar een patiënt het meest bij gebaat is. In het geval van donorkinderen kan het bepalend zijn voor hun welzijn om te weten wie hun vader is. En dus verdiept Kremer zich niet alleen in de vraag ‘hoe kon het gebeuren’, maar heeft hij vooral oog voor de betrokkenen.

Sociaal ouderschap

Die vraag hoe het kon gebeuren is overigens nog niet zo makkelijk te beantwoorden, vertelt Kremer in een vergaderkamer met uitzicht op het ziekenhuisterrein.

Want het is een cocktail: er waren geen richtlijnen in die tijd, donorinseminatie bevond zich nog in de pioniersfase, de dokter opereerde heel autonoom, en daarbij werd sociaal ouderschap vanuit de maatschappij destijds belangrijker gevonden dan biologisch ouderschap.

‘DNA-onderzoek bestond nog niet, dus je wist nooit helemaal zeker wie je ouders waren. Maar in de jaren zeventig en tachtig was het ook bijna onethisch om te denken dat jouw biologische afkomst belangrijk was. Want we waren toch allemaal gelijk als mensen? Het was standaard om bij inseminatie te werken met anonieme donors, dat wilden de wensouders ook.’

Dat de dokter zijn eigen sperma gebruikte, was allesbehalve normaal

Vaak waren het studenten die hun zaad inleverden, of mensen uit het netwerk van een gynaecoloog. Dat de dokter zijn eigen sperma gebruikte, was allesbehalve normaal. Het werd ook niet publiekelijk gedeeld.

Dus, zegt Kremer, wisten die artsen heus wel dat wat ze deden niet in de haak was. Zelf was hij ook gynaecoloog in die tijd, nooit hoorde hij er een collega openlijk over spreken. ‘Ik weet nog dat ik een van de eerste stukken erover las in de krant: ‘Jan K. gebruikte zijn eigen zaad…’

Jan Kremer
Jan Kremer. Foto: Johannes Fiebig

Kremer lacht, want zelf heet de gynaecoloog ook Jan en zijn achternaam begint met een K. Maar het ging toch echt om grootzaadgebruiker Jan Karbaat die meer dan honderd kinderen verwekte.

Pas later bleek het geen incident te zijn; veel meer artsen hadden zich geroepen gevoeld om zelf voor nageslacht te zorgen.

Complexe wezens

Dat Kremer vorig jaar door het Rijnstateziekenhuis gevraagd werd het onderzoek naar dokter Alexander Schmoutziguer te doen, kwam niet uit de lucht vallen. Kremer kent het vakgebied immers goed en werkt behalve als hoogleraar de laatste jaren als speciaal gezant Passende Zorg vanuit het Ministerie van VWS.

In die laatste rol adviseert hij de overheid en organisaties over het veranderen van de zorg zodat deze efficiënter en met meer hart voor de patiënt wordt georganiseerd.

‘Ik hou van het omarmen van de complexiteit’, zegt Kremer. ‘Dat klinkt abstract, maar daarmee bedoel ik dat wij mensen complexe wezens zijn. Dat de context ertoe doet, dat we constant veranderen, net als de samenleving zelf.’

Een patiënte uit Doetinchem die hij onder behandeling had, zei hem eens recht in zijn gezicht dat hij te veel praatte over percentages en kansen en succesratio’s. Hij was toen hoofd van de infertiliteitspoli.

‘Die patiënte zei: “Kremer, nou moet je eens ophouden”‘

‘Ze zei: “Kremer, nou moet je eens ophouden.” Ze noemde me letterlijk “Kremer” en zei: “Jij ziet mij veel te veel als een gemiddelde of als een ding wat je moet repareren. Maar dat ben ik niet. Ik doe dingen altijd net anders dan het gemiddelde. Ik zou het fijn vinden als je daar rekening mee wilt houden.’’’

Die vrouw opende hem de ogen. Want ze had gelijk, de dokter mocht haar niet reduceren tot een patiënte met een probleem dat even gefikst moest worden. Dat is precies wat hij bedoelt met ‘de complexiteit omarmen’.

Keizersnede bij een koe

De eerste bevallingen die Kremer zag in zijn leven, waren van schapen. Zijn vader was dierenarts, als kind keek hij vaak mee. Toen hij wat ouder was, hielp hij als er een keizersnede moest worden gedaan bij een koe.

De jongen uit Venray wilde geneeskunde studeren, maar werd drie keer uitgeloot. In de tussentijd studeerde hij biologie in Nijmegen, een opleiding die aansloot bij zijn fascinatie voor het wonder van de reproductie en zijn liefde voor de natuur.

Nog altijd loopt hij in zijn vrije tijd door de Ooijpolder met een verrekijker om zijn nek; hij is een vogelaar.

Kremer werd lid van het oudste dispuut van Nijmegen: de Tempeliers. Hij woonde aan de Wilhelminasingel, tegenover de plek waar in de jaren zeventig de Aula stond.

‘Dat was leuk. Als er een promotie was, stak je de straat over en ging je zogenaamd de promovendus feliciteren. Kreeg je een gratis borrel.’

Jan Kremer. Foto: Johannes Fiebig

Glimlach op zijn gezicht bij de herinnering aan het Nijmegen van vijftig jaar geleden. Hij kon toen niet weten dat hij er nooit meer weg zou gaan.

De keuze voor gynaecologie voelde als een logische, gezien zijn achtergrond. Wat hem ook aansprak, was dat het echt ergens over gíng. Problemen die optreden bij de voortplanting, raken mensen in hun diepste wezen.

‘Ik had eelt op mijn vingers van het opereren’

‘Het roept emoties en existentiële gevoelens op die je niet een, twee, drie kunt begrijpen. Dat is van een andere orde dan een gebroken been waardoor je even zes weken niet kunt lopen.’

Zijn coschappen liep hij in Den Bosch. Daar leerde hij alle technische vaardigheden. Een kwestie van vlieguren draaien, noemt hij dat.

‘Ik moest leren stuitbevallingen te doen, keizersnedes uit te voeren. Er hangen mensenlevens vanaf, dus je moet dat allemaal verdomd goed kunnen. Ik had eelt op mijn vingers van het opereren. God ja, in die tijd had je nog 24-uursdiensten. Of nee, dat waren eigenlijk 26-uursdiensten. Ging je om acht uur ’s ochtends het ziekenhuis in en kwam je er de volgende morgen om tien uur weer uit. Ik heb eens een nacht gehad met vijftien bevallingen.’

Dat zou hij nu niet meer kunnen, zegt hij. Niet willen ook. Want intellectueel gezien was het een dode tijd. Behalve op het gebied van handvaardigheid, ontwikkelde hij zich nauwelijks.

IVF-poli

Nog in zijn studententijd organiseerde Kremer het eerste congres over IFV in Nijmegen. ‘Dat was een paar jaar nadat de eerste reageerbuisbaby in Nederland was geboren, begin jaren tachtig. In het laatste jaar van mijn specialisatie was ik al hoofd van de IVF-poli in het Radboudumc.’

Hij zag hoe er nieuwe technieken bij kwamen. Bijvoorbeeld ICSI, waardoor het mogelijk werd een zaadcel met een dun naaldje direct in een eicel te plaatsen. Mannen met slecht zaad konden zo opeens toch kinderen krijgen; een enorme revolutie.

En wat te denken van het invriezen van eicellen, een spectaculaire ontdekking. Vrouwen die bijvoorbeeld op een later moment in hun leven zwanger willen worden, kunnen tijdens hun vruchtbare jaren al gezonde cellen veiligstellen.

‘Alsof wij met onze medische antwoorden de tragiek van het leven kunnen ombuigen’

De keerzijde van die ontwikkeling is dat het de gedachte aanwakkert dat het leven maakbaar is. Terwijl nog altijd een groot deel van de wensouders met lege handen achterblijft. Patiënten verwachten te veel, zorgverleners bieden valse hoop. Kremer noemt dat een belofte-overschot.

‘Alsof wij met onze medische antwoorden de tragiek van het leven kunnen ombuigen. We praten over een personeelstekort in de zorg, maar er werken anderhalf miljoen mensen. Ik denk dat er helemaal geen sprake is van een tekort. Soms is minder zorg beter, of zorg die eerlijker is.’

De patiënt voorop

Kort nadat de patiënte uit Doetinchem hem de ogen had geopend, gooide Kremer het roer radicaal om. Van de dokter die zich had gespecialiseerd in onvruchtbaarheid en genetica, werd hij een arts die zich honderd procent richtte op het belang van patiënten.

‘Dat is toch geen wetenschap’, kreeg hij van sceptische collega’s te horen. Maar Kremer vond van wel. ‘Vanuit Nijmegen hebben we toen in de voortplantingsgeneeskunde een hele lijn van patiëntgerichtheid opgezet. Dat was nieuw in Europa, en misschien zelfs wereldwijd.’

Zijn focus lag op het betrekken van de patiënt bij de zorg. Het mocht niet langer zo zijn dat alleen de machtige dokter in een dossier kon kijken en over alle medische data beschikte. Internetbankieren kwam net een beetje op en Kremer dacht: zoiets moet in het ziekenhuis toch ook kunnen?

Hij riep in 2001 de digitale IVF-poli in het leven, een plek waar mensen hun eigen onderzoeksuitslagen konden inzien. En met een community waar niet alleen specialisten, maar ook patiënten vragen konden beantwoorden.

Jan Kremer
Jan Kremer. Foto: Johannes Fiebig

‘Als artsen denken wij altijd dat wij weten wat goed is voor een patiënt, maar wat bleek was dat mensen juist elkaar heel goed konden helpen.’

Hij vraagt of zijn bezoek nog een kopje koffie wil. Zo gaat het in de spreekkamer ook vaak, zegt hij als hij met twee bekertjes terugkomt. De dokter biedt de patiënt koffie aan, omdat de patiënt te gast is bij de dokter.

In een ideale situatie zou het andersom zijn, vindt hij: de dokter komt op bezoek in het leven van de mensen. De patiënt als gastheer.

In 2008 won hij samen met de bekende Nijmeegse parkinsonspecialist Bas Bloem de zorginnovatieprijs voor MijnZorgnet.nl, een digitale omgeving waar patiënten zelf hun gegevens konden beheren. Vanuit hun eigen huiskamer.

Alles uit de kast

We springen terug naar het nu, naar de Jan Kremer die al vijftien jaar niet meer aan de operatietafel staat. Naar de ‘speciaal gezant Passende Zorg’ die zijn hoofd breekt over de toekomst van het zorgwezen in Nederland.

De patiënt is niet gek, weet Kremer uit ervaring. Die kun je als een gelijkwaardige gesprekspartner behandelen en kan heel goed eerlijk antwoord geven op de vraag wat hij of zij eigenlijk wil. Oneindig doorbehandelen of het over een andere boeg gooien en kiezen voor kwaliteit van leven?

‘De zorg gaat nu aan zijn eigen succes ten onder omdat we doorslaan’

‘De zorg gaat nu aan zijn eigen succes ten onder omdat we doorslaan. Alles uit de kast halen wat we medisch kunnen. Dat kost heel veel mankracht.’

Kremer geeft nog maar eens een voorbeeld. Er is een oncologisch chirurg in Groningen, Barbara van Leeuwen, die het intakegesprek met haar oudere patiënten heeft omgezet naar een kennismakingsgesprek. Centraal staan de vragen: wie bent u, wat vindt u belangrijk in uw leven en hoe ziet u de laatste jaren voor zich?

‘Zij voert warme, open gesprekken met mensen waarin ze niet haar medische antwoord op hun ziekte centraal stelt, maar datgene wat past bij het leven van de patiënt. Het mes snijdt aan drie kanten: het werkplezier van de zorgverleners wordt groter – verpleegkundigen vinden het ook gezellig om gewoon met mensen te praten –, patiënten houden ervan als er naar ze wordt geluisterd omdat ze bijvoorbeeld op hun 85ste helemaal geen stoma meer willen na een eventuele darmoperatie, en het scheelt heel veel ingrepen. Economisch gezien is het dus ook winst, het aantal operaties in haar groep is met 27 procent gedaald.’

Optimistisch

Kremer wordt optimistisch van dit soort initiatieven. Hij voert huiskamergesprekken met doodgewone mensen die hij vraagt hoe zij de zorg het liefst georganiseerd zouden zien en koppelt die inzichten aan de bobo’s die het beleid maken.

Probleem is wel dat de zorgverzekeraars en de ziekenhuizen ook mee moeten bewegen. Als Barbara van Leeuwen 27 procent minder operaties uitvoert, betekent dat dalende inkomsten voor haar werkgever, het UMC Groningen. De rekenmeesters van het ziekenhuis zullen dat niet toejuichen.

Zouden alle artsen het voorbeeld van de oncoloog volgen, dan is het academisch centrum snel failliet. Dus: de financiering en de organisatie van het zorgsysteem moeten ook anders.

Kremer mag dan met emeritaat gaan, als adviseur blijft hij nog een tijdje actief. Het Arnhemse Rijnstate gaf hij de tip mee ruiterlijk te erkennen dat het ziekenhuis zich in het verleden onvoldoende heeft ingeleefd in de gevolgen van kunstmatige inseminatie voor donorkinderen en ouders.

‘Wat zou het met de vrede op aarde doen als we al het defensie-geld investeren in de zorg?’

Rijnstate publiceerde het onderzoeksrapport integraal op haar website en lanceerde een telefoonnummer waar patiënten met vragen terechtkunnen. Die openheid is in het belang van de gedupeerden, stelt Kremer; alleen al de erkenning kan hen verder helpen.

En het feit dat de 85-jarige arts heeft ingestemd met een ontmoeting met zijn donorkinderen, maakt hem blij.

‘Volgens mij krijgen we een veel mooiere samenleving als we de zorg de plek geven die het verdient, namelijk in het hart van de maatschappij. Zorg draait om veel meer dan artsen, het kan ook iemand zijn die je even helpt met de boodschappen.

Er gaat momenteel ontzettend veel geld naar defensie. Dat vind ik geen goede ontwikkeling. Ik vraag me dan af: wat zou het met de vrede op aarde doen als we al dat geld zouden investeren in de zorg? Ik denk dat we veel tevredener en vredelievender worden.’

De tijd die hij straks overhoudt als zijn hoogleraarschap stopt, wil hij het liefst steken in zijn andere grote liefde, die voor de natuur. Veel wandelen, buiten zijn, vogels spotten.

Rond 1 mei komen de eerste gierzwaluwen terug uit Afrika, daar kijkt hij naar uit.

De afscheidsrede van Jan Kremer is vrijdag 24 april om 16.00 uur in Concertgebouw De Vereeniging. 

Leuk dat je Vox leest! Wil je op de hoogte blijven van al het universiteitsnieuws?

Bedankt voor het toevoegen van de vox-app!

2 reacties

  1. Eefje schreef op 23 april 2026 om 11:02

    Wat een prachtig stuk! En heel goed dat er ook kort aandacht is voor de keerzijde van dat alles maar mogelijk is tegenwoordig in de fertiliteitsgeneeskunde (zeg ik als ervaringsdeskundige).

Geef een reactie

Vox Magazine

Het onafhankelijke magazine van de Radboud Universiteit

lees de laatste Vox online!

Vox Update

Een directe, dagelijkse of wekelijkse update met onze artikelen in je mailbox!

Wekelijks
Nederlands
Verzonden!