In het academisch paradijs (5): Bijdragen aan defensie-onderzoek?
-
Klaas Landsman. Eigen foto
Hoogleraar Mathematische fysica Klaas Landsman werkt een halfjaar aan de universiteit van Okinawa (Japan). In deze vijfde aflevering van zijn serie berichten uit Okinawa schrijft hij over de bijdrage van wetenschappers aan defensie-gerelateerd onderzoek.
Deze serie begon met de slag om Okinawa in 1945, waarbij zelfs op dit kleine eiland ruim 200.000 doden vielen, grotendeels aan Japanse kant (en dan weer deels door suïcide). Voor de Amerikaanse president Truman was dit het officiële argument om de atoombom in te zetten, als alternatief voor een invasie van Japan (intimidatie van de Sovjet-Unie was volgens velen een officieus nevendoel). Het oorspronkelijke argument om de bom te bouwen, en de reden dat zelfs de pacifist Einstein hiertoe opriep, was echter de angst dat de vele topfysici die ondanks de Joodse exodus nog in Duitsland over waren Hitler een dergelijk wapen zouden geven. Deze angst bleek ongegrond, maar zelfs Oppenheimer had geen controle over de uiteindelijke inzet.
Nu de discussie over een eventuele bijdrage aan defensiegerelateerd onderzoek oplaait, is het relevant zich af te vragen of de fysici in Los Alamos juist handelden en of er een parallel is met het heden. Wat het eerste betreft: de angst voor Hitler was leidend en natuurlijk terecht, en bij veel betrokken fysici en wiskundigen ook die voor Stalin. Met weinig oog voor het genocidale verleden van de Verenigde Staten zelf dachten allen dat zij aan de goede kant stonden.
‘Over de uiteindelijke bestemming van onze bijdragen aan Defensie is nog minder controle dan in 1945’
De huidige vijand is dan Poetin, inderdaad ook een oorlogsmisdadiger eersteklas. Maar over de uiteindelijke bestemming van onze bijdragen aan Defensie is nog minder controle dan in 1945. Wij zijn militair een vazalstaat van de VS, zoals ook Japan dat is – dagelijks vliegen hier in Okinawa Amerikaanse straaljagers over ons hoofd, overigens niet gericht op intimidatie van Rusland maar van China; Taiwan is dichterbij dan Tokio. Tegelijk zijn de VS militair en politiek nog veel inniger verbonden met Israël, waarmee het Nederlandse leger ook nog steeds directe banden onderhoudt.
De claim van vicedecaan Heskes van de FNWI dat “mensenrechtenschendingen een duidelijke rode lijn” zijn, is moeilijk te rijmen met het feit dat de FNWI al haar banden met Israëlische universiteiten aanhoudt en vorig jaar zelfs tegen het advies van een eigen commissie een nieuwe samenwerking is aangegaan, niet gehinderd door de onomstreden verwevenheid van onze oude en nieuwe academische partners met de IDF, en de voortdurende mensenrechtenschendingen door de laatste. Dit alles staat bovendien onder de ultieme leiding van een flagrante ontkenner van waarheid, wetenschap, en internationaal recht, bij wie onze koning, koningin en minister-president desondanks braaf op bezoek gaan.
Het idee dat je militair relevant onderzoek kunt doen (of onderzoek überhaupt binnen een gemilitariseerde staat) en daarbij een rode lijn rond mensenrechten kunt trekken, is een gevaarlijke illusie, zelfs als de dreiging acuut is en de eigen kant lovenswaardig. Van het eerste is nu wellicht sprake, van het tweede allerminst.
Een ongeruste medewerker schreef op 26 maart 2026 om 07:53
De twijfels die in deze column worden geuit over de morele consistentie van het FNWI-beleid lijken me moeilijk te negeren en maken de uitspraken van Tom Heskens (vice-decaan onderzoek FNWI) in de recente Vox-special over defensie des te zorgwekkender (“Als je als onderzoeker heel specifiek en nuttig onderzoek doet waar Defensie voor wil betalen, dan moet je volgens mij de vrijheid hebben om dat wel te doen. Ik zou het lastig vinden als de universiteit bepaalde onderzoeken bij voorbaat zou verbieden, bijvoorbeeld omdat ze vertrouwelijk zijn of er niet over gepubliceerd kan worden.”). Ik vraag me oprecht af hoe zijn morele kompas is afgesteld als hij stelt dat onderzoek dat niet gepubliceerd kan worden toch binnen de universiteit zou moeten passen.
Juist binnen de academische context is publiceerbaarheid geen detail, maar een kernvoorwaarde, zoals ook vastgelegd in de gedragscode wetenschappelijke integriteit. Onderzoek dat per definitie vertrouwelijk blijft, staat op gespannen voet met die principes.
Als de vice-decaan onderzoek dit geen probleem vindt, roept dat fundamentele vragen op over hoe er binnen de FNWI met wetenschappelijke integriteit wordt omgegaan en waar de eerder genoemde “rode lijn” dan in de praktijk nog ligt.