‘Onderzoek naar defensie: dat is een tweesnijdend zwaard’
-
Afbeelding ter illustratie. Foto: Mediacentrum Defensie
OPINIE - De kritiek op samenwerken met Defensie voor wetenschappelijk onderzoek zwelt de laatste tijd aan. Een deel van die kritiek berust echter op misvattingen, betoogt universitair docent Bestuurskunde Dorian Schaap. ‘Hoe borg je de democratische rechtsstaat in een instabiele wereld waarin zelfs bondgenoten zich weinig gelegen laten aan internationaal recht? Dat is een goede onderzoeksvraag, juist voor de academici die kritisch zijn op de krijgsmacht.’
Moeten we wel onderzoek naar de krijgsmacht doen? Met enige regelmaat werd de afgelopen maanden de vraag gesteld of samenwerking met en onderzoek naar Defensie past bij het werk van universitaire onderzoekers. Dit thema roept fundamentele vragen op over wat goede en onafhankelijke wetenschap is, maar de discussie wordt met weinig precisie gevoerd en lijkt soms gebaseerd op misvattingen. Symptomatisch hiervoor is de Vox-illustratie die steevast bij deze stukken wordt geplaatst, met militaire poppetjes op een houten paard van Troje (zie foto rechts). Alsof de krijgsmacht niets liever wil dan het infiltreren van onze ivoren vesting.
Een eerste misvatting betreft de onderzoeksfocus. De kritiek op defensieonderzoek lijkt gebaseerd op een stereotype van wat dat onderzoek in de praktijk inhoudt; alsof wetenschappers en masse nieuwe, dodelijke militaire middelen ontwerpen. Dit beeld lijkt eerder geïnformeerd door een James Bondfilm uit de jaren ’70 dan door de realiteit. Zelfs wanneer het om technisch en toegepast onderzoek gaat, betreft universitair krijgsmachtonderzoek eerder onderzoek naar infrastructuur, organisatie en communicatie dan naar wapens.
Genocide in Srebrenica
Maar wat zijn dan andere belangrijke onderzoeksthema’s rond Defensie? Mijn eigen onderzoek richt zich vooral op de politie, die ándere geweldsorganisatie. Maar mijn interesse in het militaire domein voert terug naar een bezoek aan de jaarlijkse herdenking, op 11 juli, van de genocide in Srebrenica. Overlevenden van de genocide in de voormalige enclave en nabestaanden van slachtoffers vroegen me hoe ik, toenmalig student sociologie, verklaarde dat mensen elkaar zoiets konden aandoen. En hoe de internationale gemeenschap het een kon beloven, maar vervolgens het andere deed. Antwoorden moest ik schuldig blijven.
Tegelijkertijd waren er ook Dutchbat-veteranen aanwezig bij de herdenking. Zij hadden andere vragen: hoe kon het dat wij eropuit werden gestuurd met minimaal materieel en onvoldoende mandaat? Waarom bleef luchtsteun uit toen de enclave viel? Waarom begreep de Nederlandse samenleving niet wat wij doormaakten? En hoe kan ik in het reine komen met mezelf, nadat ik onschuldige mensen in de steek moest laten?
‘Met al deze partijen is een alerte houding van belang, maar kunnen over het algemeen prima afspraken over wetenschappelijke onafhankelijkheid gemaakt worden’
Als we willen leren van dodelijke fouten uit het verleden, is dit het type vragen dat we moeten beantwoorden. Afgelopen decennia hebben onderzoekers uit diverse disciplines, ook aan de RU, hoogwaardige studies uitgevoerd naar precies zulke thema’s. Dit heeft zowel waardevolle lessen voor Defensie opgeleverd, als wetenschappelijk vernieuwende inzichten.
Waken voor naïviteit
Een tweede misvatting is dat je als onderzoeker eenvoudig voor een militair karretje gespannen wordt. Aan verschillende faculteiten wordt onderzoek uitgevoerd naar, met en soms voor organisaties in het veiligheidsdomein. Hier valt ook Defensie onder. Hierbij is het voor ons als onderzoekers belangrijk onszelf serieuze vragen te stellen: waartoe doe ik dit onderzoek? Wat zijn de belangen van de partij waarmee ik samenwerk? Waarvoor kunnen mijn bevindingen ingezet worden of welke zaken kunnen ermee worden gelegitimeerd?
Er kan hierbij zeker sprake zijn van een hellend vlak en het is belangrijk te waken voor naïviteit. Hierin wijkt de krijgsmacht echter niet fundamenteel af van andere mogelijke onderzoeksobjecten (en partners) die zich bezighouden met ‘dirty work’—werk dat fysiek gevaarlijk of sociaal en moreel ‘bevlekt’ is. De kritiek op defensieonderzoek doet daarmee willekeurig aan; waarom niet samenwerken met de krijgsmacht, maar wel met de politie, IND, Belastingdienst of Jeugdbescherming? Met al deze partijen is een alerte houding van belang, maar kunnen over het algemeen prima afspraken over wetenschappelijke onafhankelijkheid gemaakt worden. Vaak makkelijker dan met commerciële partijen.
Verademing
Je kan het dan ook anders bekijken. Na decennia waarin van overheidswege vooral de nadruk werd gelegd op samenwerking met en onderzoek ten behoeve van bedrijven en de private sector (stimuleer groei en innovatie! Versterk onze concurrentiekracht!) ligt nu de focus in ieder geval weer op de publieke taak. Ik beschouw dit als een verademing. Bij defensieonderzoek is ten minste duidelijk dat er sprake is van morele spanningen en dilemma’s die ons allemaal aangaan.
Zulke spanningen en dilemma’s zouden ook focus van onderzoek moeten zijn. Niet alleen: hoe beschermen we de samenleving? Maar ook: hoe borg je een democratische rechtsstaat in een instabiele wereld waarin zelfs bondgenoten zich weinig gelegen laten aan internationaal recht, en hoe ga je dan om met conflicterende publieke waarden? Hoe verenigen we de noodzaak tot normatieve kaders met steeds snellere technologische ontwikkeling? En hoe voorkomen we dat de autonoom en moreel handelende mens vermalen raakt in een geweldsorganisatie?
Dit type vragen zou voor iedere wetenschapper interessant moeten zijn, en zeker voor de krijgsmachtkritische academicus.
